Archive for the ‘wetenschappers’ Tag

TWIT #10

TWIT

Advertenties

Gebruikers bevraagd

Hswe

Bovenstaande slide komt uit een presentatie van Patricia Hswe van Penn State Libraries. Om nog maar even te benadrukken waar het in ons werk om gaat en wie daarbij in het centrum dienen te staan.

Onderzoek naar wat die gebruikers willen kan dan ook altijd op mijn warme belangstelling rekenen, en wat dat betreft was het tot nu toe een goede week. Afgelopen dagen vond in het Britse Bournemouth de jaarlijkse UKSG-conferentie plaats die ik alleen via de tweets (#uksglive) heb gevolgd. Een van de presentaties die de meeste aandacht trok was niet van iemand uit de bibliotheek- of uitgeefwereld, maar door een jonge wetenschapper. Daarover in een volgende post. Afgelopen maandag vond namelijk ook de presentaties van het driejaarlijkse onderzoek van de Amerikaanse organisatie Ithaka S+R naar de mening van Amerikaanse wetenschappers over hun onderwijs en onderzoek, de ondersteuning die ze daarbij ondervinden (o.a. van de bibliotheek) en hun gebruik van digitale technologie (op de kop af drie jaar geleden blogde ik over de 2010-editie). Hierbij zowel een directe link naar het rapport zelf als de presentatie over het rapport op de halfjaarlijkse CNI-meeting in San Antonio.

Ithaka

Ithaka2

Het aardige is dat deze keer hetzelfde onderzoek ook door JISC onder Britse wetenschappers is uitgezet. Volgende maand zijn de resultaten daarvan te verwachten.

Afko #11: APO

Ruim twee jaar geleden verscheen de laatste aflevering van m’n serie afko-posts (weet u nog? NBO). Dat betekent geenszins dat er zich in de tussentijd geen nieuwe kandidaten hebben aangemeld (integendeel, ik heb er nog een paar ‘op de plank’ liggen), maar de kracht van een serie zit in de regelmatige herhaling en niet in af en toe eens van stal halen. Is dit dan een nieuw begin? Nee, dat gaat met de aanstaande vakantieperiode niet lukken maar misschien is dit een opwarmertje voor de periode daarna.

APO dus. Academic Profiling Optimisation. SEO voor academici. Ik kwam de afkorting tegen in een congresbijdrage van Brian Kelly en Jenny Delasalle voor de Open Repositories 2012. Zij pleiten daarin, op basis van zowel persoonlijke ervaring als verkennend onderzoek, dat de zichtbaarheid en het gebruik van materiaal dat in institutionele repositories is gearchiveerd gebaat is bij promotie door de auteur(s) via sociale media als blogs, Twitter, LinkedIn en Academia.edu. Kelly en Delasalle verwijzen daarvoor ook naar wat wetenschappelijke uitgeverijen als Wiley, Springer en Sage zelf aan hun auteurs adviseren om het aantal downloads en citaties van hun artikelen (en indirect daarmee ook de impact factor van het tijdschrift zelf) te vergroten.

Snel even googelen leidde me naar een als confidential aangeduid document van Sage, een zogenaamd Publisher’s Report voor het tijdschrift Asia-Pacific Journal of Public Health. Daarin worden nog andere methodes opgesomd die moeten bijdragen aan de statuur en het gebruik van het tijdschrift en de artikelen die er in opgenomen zijn. Deze vond ik nog wel aardig:

One of the easiest to make the journal appear higher in search results is to create an entry for it on Wikipedia. We encourage our journal editors to do this as Wikipedia frowns upon commercial organizations adding content for marketing purposes. Information on how to create a new page on Wikipedia is available at http://en.wikipedia.org/wiki/Wikipedia:Starting_an_article.

Als ik zoiets lees, dan schieten de onderzoeksvragen me door het hoofd. Maar goed, dat moeten anderen maar doen. Naast SEO en APO is er in ieder geval ook nog ruimte voor JUO (Journal Usage Optimisation) en AVO (Article Visibility Optimisation). En dan vergeet ik er waarschijnlijk ook nog wel een paar. ūüėČ

Voor de liefhebbers hier nog even de oude reeks:

Weekoogst #31

Als je niet kunt kiezen…
Wat zal ik kopen? Een netbook, een laptop of toch maar een tablet? Niet langer twijfelen: koop een tabtop! (of laplet?) Ik zou ‘m in ieder geval graag een keertje in m’n handen willen houden.

Kassa!
Ik volg, van enige afstand en in alle bescheidenheid, de ontwikkelingen in het Amerikaanse hoger onderwijs en de Amerikaanse bibliotheekwereld. Een feed op The Chronicle (of Higher Education) is daarbij essentieel. Deze week werd ik via die feed geattendeerd op een nieuwe publicatie van de Chronicle, Information Technology in Higher Education: 2010 Survey of Chief Information Officers. Ha, dacht ik meteen, kijken. Dat viel dus tegen. Deze digitale  publicatie is niet online in te zien, of je moet bereid zijn de portemonnee te trekken: de standaard prijs is slechts $ 3.500! Ben je verbonden aan een hoger onderwijsinstelling dan krijg je een korting van $ 1.000. Koopje toch!

Open deuren
Ik meld hier wel vaker iets in kritische zin over de publicaties van twee LIS-coryfee√ęn, Carol Tenopir en Donald King. They did it again, deze week. In het rapport Research Publication Characteristics and Their Relative Values: A Report for the Publishing Research Consortium hebben ze onderzocht waardoor wetenschappers zich laten leiden bij hun keuze welke artikelen wel en welke artikelen niet te lezen uit het overvloedige aanbod. De voornaamste conclusie:¬† een wetenschappers kiest allereerst voor een inhoudelijk relevant artikel “Written by an author I recognize as a top scholar, in a top-tier peer-reviewed journal, and available online at no [personal] cost”. Het minste kans maakt een artikel ‘Written by an author I recognize as a weaker scholar, in a journal that is not peer-reviewed, and available online at some cost.”

Misschien oordeel ik te hard en te snel, maar daar had je volgens mij geen wereldwijde survey onder 445 respondenten voor hoeven te houden. Hetgeen overigens niet weg neemt dat er ook best nuttige informatie in het rapport staat, zoals het gegeven dat wetenschappers online beschikbaarheid belangrijker vinden in hun overwegingen een artikel te lezen dan de tijdschrifttitel of de uitgever.

Aanmaakhout
Nog wat boeken over die uit de collectie verwijderd moeten worden? Er is nu een Amerikaans bedrijf dat er graag ‘aanmaakboekjes’ van maakt. Handig met de Kerst in aantocht!

                            

De firma “LibriLoop, at your service.

Wat wil de onderzoeker?

Eind juni presenteerde OCLC Research een studie naar de wensen van onderzoekers op het vlak van ondersteuning van hun onderzoeksactiviteiten. In A Slice of Research Life komen 38 Amerikaanse onderzoekers zelf aan het woord. Het rapport heeft weinig sporen nagelaten in de blogosphere, ook niet op Zeemanspraat. Ik heb het rapport wel meteen gelezen toen het verscheen, ijverig aantekeningen zitten maken maar er uiteindelijk geen post aan gewijd. Excuus? Tja, de zomervakantie kwam er tussen.

En wat kan ik nu nog, een paar maanden later,¬†uit m’n krabbels van destijds opmaken?

Coherent beeld van ‘de onderzoeker’; hij heeft weinig tijd, gebruiksgemak staat¬†voorop bij het toepassen van tools; niet ge√Įnteresseerd in perfecte tools; hebben een hekel aan zaken als EndNote en institutional repositories; niemand weet hoe het verder moet met onderzoeksdata; en de bieb? die is onzichtbaar.¬† (zie vooral p.18)

Het OCLC-rapport vormde de helft van een gezamenlijk Anglo-Amerikaans onderzoek, waarvan de Britse helft uitgevoerd werd door het Research Information Network (RIN). En RIN heeft nu bijna vijf maanden na OCLC het Britse rapport gepresenteerd, Research Support Services in UK Universities. Op dezelfde wijze¬†opgezet als het Amerikaanse rapport worden uit gestructureerde interviews de opinies van Britse onderzoekers van vier verschillende universiteiten gepresenteerd. Het betreft opnieuw dus een relatief kleine populatie, maar door de diepgang wordt in ieder geval een heel herkenbaar, en naar ik verwacht ook representatief, beeld geschetst van wat wetenschappers van ondersteunende diensten (waaronder de bibliotheek) vinden en wat ze (soms) van die diensten verwachten. De kern daarvan wordt in het rapport alsvolgt geformuleerd: “Many, if not most, researchers prefer to conduct their research in their own way, with as little institutional advice and support – or interference – as possible.” Uiteraard besluit het RIN-rapport met de nodige conclusies, die in grote lijnen parallel lopen met die uit het OCLC-rapport. Als ondersteunende diensten, inclusief de bibliotheek, een rol van betekenis willen blijven spelen dan zullen hun diensten user-centered moeten zijn, zo dicht mogelijk bij de onderzoekers aangeboden moeten worden, absoluut geen administratieve rompslomp met zich mee mogen¬†brengen en zullen ¬†informatiespecialisten met voldoende domeinkennis ondergebracht moeten worden¬†bij onderzoeksteams. En dat is alles bijelkaar beslist geen eenvoudige opgave.

Wat wil de onderzoeker? Vooral niet gestoord worden in wat een onderzoeker het liefst doet: onderzoek.

Een blik in de spiegel

If you build it, will they come? is de wat retorische titel die door het Britse Research Information Network is meegegeven aan hun onderzoeksverslag over het gebruik van web 2.0-toepassingen (‘dingen’) door Britse onderzoekers. Nee, ze komen dus niet vanzelf tenzij het aanleren van het nieuwe kunstje weinig energie vereist, het nieuwe kunstje ook eenvoudig in te passen is in bestaande werkpraktijken en het nut, vooral uit te drukken in tijdwinst, direct duidelijk is. Op zich niet zo’n verbazingwekkende conclusie, maar het is goed je te realiseren dat er veel meer k√°n, en wellicht ook nuttig lijkt, dan dat er in de realiteit gebruikt zal worden. If you build it, they may come, maar een garantie voor succes is er niet.

Belangrijke vraag daarbij is ook: gaat dat bij ons, informatiespecialisten, dan anders? Komen wij wel als er iets gebouwd wordt? Het ook al niet verrassende antwoord op deze vraag is eveneens: nee, niet vanzelf. Dat wordt nog eens duidelijk uit het recente onderzoek van WebJunction naar het gebruik van online tools, inclusief web 2.0-toepassingen, door bibliotheekmedewerkers. Onderstaande grafiek vat de uitkomsten samen:

2010 survey Usage of Online Tools

Dat discussielijsten nog steeds de meest (= intensiefst) gebruikte online tool zijn, verbaast me niet echt. Waar ik echter door verrast werd, was het geringe gebruik van rss-feeds. Dat zou nog duidelijker uit bovenstaande grafiek blijken als er voor gekozen zou zijn in aflopende volgorde de niet-gebruikte online tools te presenteren. 50% van de aan dit onderzoek deelnemende bibliotheekmedewerkers zegt rss nooit te gebruiken.

Ik kan me dat niet meer voorstellen. Een aantal maanden geleden heb ik al eens beschreven hoe ik van de leg raakte toen mijn feedreader door onze lokale IT-afdeling om zeep was geholpen. Inmiddels ben ik heel tevreden over Google Reader en ik zou echt niet weten hoe ik op een andere wijze nog enigszins¬†greep zou kunnen houden op wat er in de bibliotheek- en informatiewereld om mij heen gebeurt zonder rss. Kunnen anderen dat wel, of denken ze dat te kunnen, of verkeren ze in die gelukzalige toestand van ‘onbewust onbekwaam’?

eScholarship

Kijk, daar kan ik dan toch wel een beetje moedeloos van worden. Word je geattendeerd op een nieuw onderzoek naar de wensen en noden van wetenschappers op het gebied van wetenschappelijke communicatie (gebaseerd op uitvoerige interviews met 160 Amerikaanse wetenschappers uit zeven verschillende disciplines, netjes verdeeld over alfa, b√®ta en gamma), blijkt het onderzoeksrapport liefst 733 pagina’s te beslaan! Natuurlijk, er is een executive summary van 20 pagina’s maar daarin gaat toch weer veel van de detaillering en de nuance verloren. Ik denk dat ik daarom eerst maar eens √©√©n hoofdstuk over √©√©n discipline op m’n nachtkastje leg. En als ik daar heel enthousiast over word, dan volgen die andere hoofdstukken misschien vanzelf nog wel.

Maar natuurlijk kan ik het niet laten een paar citaten uit die executive summary te halen:

Our work has confirmed the important impact of each discipline‚Äôs nature, culture, and traditions on many scholarly communication habits in research universities; the peerreviewed journal article is the primary mode of scholarly dissemination in the sciences and the quantitative social sciences, while the more interpretive, historical, and qualitative disciplines rely heavily on the university press monograph with a varying mix of journal articles, critical editions, and other publications. These traditions, which rely heavily on various forms of peer review, may override the perceived ‚Äúopportunities‚ÄĚ afforded by new technologies, including those falling into the Web 2.0 category.

We found no evidence to suggest that ‚Äútech-savvy‚ÄĚ young graduate students, postdoctoral scholars, or assistant professors are bucking traditional publishing practices. In fact, as arguably the most vulnerable populations in the scholarly community, one would expect them to hew to the norms of their chosen discipline, and they do. Established scholars seem to exercise significantly more freedom in the choice of publication outlet than their untenured colleagues, although in the sciences, high-impact publications remain important for garnering research grants throughout a career.

Scholars must balance concerns about prestige and impact factor with considerations of audience and the technical affordances of particular media when choosing a publication outlet. The inherent diversity in publication practices makes precise terminology absolutely imperative. Such precision includes being clear about what is meant by ‚Äúopen access‚ÄĚ publishing (…) Although there is a universal embrace of the rapidly expanding body of digital ‚Äúprimary‚ÄĚ sources and data, there is an equally strong aversion to a ‚Äúglut‚ÄĚ of unvetted secondary publications and ephemera. The degree to which peer review, despite its perceived shortcomings, is considered to be an important filter of academic quality, cannot be overstated.

we caution against assumptions that ‚Äúmillennials‚ÄĚ will change the social landscape of scholarship by virtue of their facility with cell phones and social networking sites. There is ample evidence that, once initiated into the profession, newer scholars‚ÄĒbe they graduate students, postdoctoral scholars, or assistant professors‚ÄĒadopt the behaviors, norms, and recommendations of their mentors in order to advance their careers.

In sum, our research suggests that enthusiasm for the development and adoption of technology should not be conflated with the hard reality of tenure and promotion requirements (including the needs and goals of final archival publication) in highly competitive and complex professional environments. Experiments in new genres of scholarship and dissemination are occurring in every field, but they are taking place within the context of relatively conservative value and reward systems that have the practice of peer review at their core. Perhaps, as a consequence, we found that young scholars can be particularly conservative in their research dissemination behavior, and that established scholars can afford to be the most innovative with regard to dissemination practices.

Although robust infrastructures are needed locally and beyond, the sheer diversity of scholars’ needs across the disciplines and the rapid evolution of the technologies themselves means that one-size-fits-all solutions will almost always fall short. As faculty continue to innovate and pursue new avenues in their research, both the technical and human infrastructure will have to evolve with the ever-shifting needs of scholars. This infrastructure will, by necessity, be built within the context of disciplinary conventions, reward systems, and the practice of peer review, all of which undergird the growth and evolution of superlative academic endeavors.

Oh ja, de titel van het rapport luidt: Assessing the Future Landscape of Scholarly Communication: An Exploration of Faculty Values and Needs in Seven Disciplines.

Amsterdams feestje

Vanmiddag was er een feestje in de Amsterdamse Beurs van Berlage. De Nederlandse Open Access-community keek tevreden terug op het succes van het Open Access jaar 2009. De bewustwording rond Open Access is sterk vergroot, bestuurlijk staat het onderwerp hoog op de agenda en via Narcis worden¬†inmiddels 200.000 wetenschappelijke publicaties open access beschikbaar gesteld aan de wereld. Dat aantal van 200.000 is overigens een verdubbeling in drie jaar van het eerdere resultaat van het honDAREdduizend-project. Dat levert een mooie lineaire groeicurve op, waar iedereen natuurlijk liever een exponenti√ęle zou willen zien. Maar open access publiceren staat bij wetenschappers nog steeds in de kinderschoenen en op dit feestje waren ze dan ook schaars vertegenwoordigd.

Hoe alle goede voornemens nu in de praktijk te brengen, was het belangrijkste issue tijdens deze middag. Paul Doop, voorzitter van het SURF-platform ICT en onderzoek (en lid van het College van Bestuur van de UvA), stelde voor de verplichting tot open access publiceren voor wetenschappers in dienst van de Nederlandse universiteiten op te nemen in de CAO. Daarvoor kreeg hij weinig handen opelkaar. Eigenlijk wilde niemand die stap richting verplichting nemen, te meer daar er in veel disciplines nog helemaal of bijna geen mogelijkheden zijn om onderzoeksresultaten open access te publiceren met dezelfde mate aan kwaliteitsbewaking die er nu is. Een langzaam ingroei-model werd door de meeste aanwezigen als de beste weg gezien, gesteund door maatregelen als nu door NWO genomen. Wetenschappers die met NWO-financiering onderzoek verrichten kunnen voor het publiceren in open access tijdschriften een beroep doen op additionele financiering voor de dan noodzakelijke authors’ fee.

Het feestje in Amsterdam werd nog nadrukkelijker een Amsterdams feestje bij de uitreiking van de SURFshare Open Access awards voor uitzonderlijke inzet voor Open Access in 2009. De award voor OA-uitvoering ging naar onze eigen specialist elektronisch publiceren en repository manager Saskia Woutersen en de award voor OA-strategisch naar Eelco Ferwerda, uitgever bij de Amsterdam University Press. Eelco liet zwaargewichten als Bas Savenije en Sijbolt Noorda met lege handen achter.

Alle presentaties en discussies komen binnenkort beschikbaar op de website www.openaccess.nl. Andere impressies van deze middag zijn te vinden op Twitter, hashtag #oasem.

Open Access is een zaak van … mannen!

Zoals bekend is 2009 door SURF en de samenwerkende instellingen voor hoger onderwijs in Nederland uitgeroepen tot Open Access jaar. Voorlichting en bewustwording bij alle betrokkenen behoren daarbij tot de speerpunten. In een korte video die een paar dagen geleden door SURF op YouTube is geplaatst, bepleiten de bobo’s van de Nederlandse wetenschappelijke instellingen de zaak voor Open Access. Om het geen monoloog te laten worden van VSNU-voorzitter Sijbold Noorda is er voor gekozen zijn betoog af te wisselen met een aantal oneliners van decanen, directeuren en college-leden. Inderdaad, allemaal mannen.

De ene quote spreekt wat meer aan dan de andere, en de ene bobo voelt zich voor de camera ook duidelijker meer op z’n gemak dan de andere. Martin Bossenbroek, directeur van de Koninklijke Bibliotheek, poneert dat wat blijkbaar goed genoeg is voor Harvard, zeker ook het overwegen meer dan waard is voor de Nederlandse wetenschappelijke wereld. Nu is de vraag natuurlijk welke kijkers van deze video¬†zich meteen realiseren wat hij met ‘Harvard’ bedoeld. OA-adepten weten ongetwijfeld dat hij het dan over het mandaat heeft dat Harvard University vorig jaar heeft afgekondigd voor haar eigen personeel om al hun publicaties in het repository van Harvard te deponeren. Maar anderen? En is deze video nu juist niet vooral voor diegenen bedoeld die nog niet van de zegeningen van Open Access overtuigd zijn?

Afijn, na Harvard-aan-de-Amstel en Harvard-aan-de-Zuidas gaan we dit jaar dus voor Harvard-aan-de-Noordzee.

 

 

P.S. er is ook een versie met Engelstalige ondertiteling.

Ithaka

Wowter was me vorige week al voor,¬†maar dat beschouw ik verder niet als een schande. En dan heb ik het over Ithaka’s 2006 Studies of Key Stakeholders in the Digital Transformation in Higher Education. OCLC verblijdt ons al een aantal jaren met studies naar gebruikers van de bibliotheken, waarbij vooral de jongere generaties (de googlende en plagi√ęrende screenagers) in het middelpunt van de belangstelling staan. Ithaka, een organisatie die gelieerd is aan JSTOR en ARTstor, heeft nu voor een derde keer onderzoek gedaan naar de oordelen van wetenschappelijk medewerkers over de bibliotheek en de wetenschappelijke informatievoorziening. Eerder is dat in 2000 en 2003 gebeurd en nu wordt er uitvoerig over de resultaten van het onderzoek uit 2006 gerapporteerd (terwijl men ondertussen ook al weer voor 2009 bezig is). Omdat het de derde keer is, is het nu ook beter mogelijk om trends te onderkennen in het (verklaarde) gebruik van bibliotheekvoorzieningen en in de verwachtingen t.a.v. de toekomst. Er is overigens al eerder door de onderzoekers in bescheidener vorm over de resultaten gerapporteerd, in¬†juli 2007 in Educause Review, maar er wordt nu dieper op de data ingegaan. En voor de liefhebber worden die data ook beschikbaar gesteld voor eigen onderzoek!

Wowter heeft de belangrijkste algemene conclusies van het rapport al samengevat, dus dat ga ik niet nog een keer herhalen. Maar waar hij zich concentreert op dat algemene niveau, werd ik juist¬†geraakt door de verschillen per discipline die in dit rapport weer zo nadrukkelijk tot uitdrukking komen. Dat de geesteswetenschappers niet voorop lopen bij de digitalisering en de overstap naar e-only weten we inmiddels al. Maar in dit rapport komen andere, belangrijkere verschillen naar boven. Zo documenteren de onderzoekers de grote sprong voorwaarts die de economen hebben gemaakt vanuit een achterstandsituatie in 2000 naar een plek in de frontlinie van de digitale gamma’s nu. Is voor bijna 40% van de geesteswetenschappers de bibliotheekcatalogus nog steeds het startpunt voor hun onderzoek (en niet gespecialiseerde databases of Google). En geeft 65% van de geesteswetenschappers aan nieuwe afleveringen van tijdschriften het liefst in papieren vorm te raadplegen, maar geldt dat toch ook voor 40% van de b√®ta’s.

De voor mij een na belangrijkste passage uit het rapport, echt uit het hart gegrepen, is de volgende: ‘The data show that different disciplines have dramatically different needs, interests, and priorities. An understanding of these differences must guide campus information strategy; a ‚Äúone size fits all‚ÄĚ solution will not, in fact, fit all.’

En de belangrijkste dan? Dat is volgens mij deze:

‘An important lesson is that the library is in many ways falling off the radar screens of faculty. Although scholars report general respect for libraries and librarians, the library is increasingly disintermediated from their actual research process. Many researchers circumvent the library in doing their research, preferring to access resources directly. Researchers no longer use the library as a gateway to information, and no longer feel a significant dependence on the library in their research process. Although the library does play essential roles in this process, activities like paying for the resources used are largely invisible to faculty. In short, although librarians may still be providing significant value to their constituency, the value of their brand is decreasing.’

In de VS is onder vakgenoten de discussie over dit rapport al losgebarsten (zie o.m. ACRLog en LibraryJournal), en terecht want de kwesties die in dit rapport worden aangesneden raken alle universiteitsbibliotheken. Verplichte leesvoer dus, ook voor ons.