Archive for the ‘web 2.0’ Tag

Blik in de spiegel op herhaling

Vorig jaar schreef ik hier over een onderzoek naar het gebruik van online tools, inclusief web 2.0-toepassingen, door bibliotheekmedewerkers, een blik in de spiegel. Dat was een momentopname met alle beperkingen die daaraan kleven. Gelukkig is het onderzoek een jaar later herhaald, jammergenoeg overigens niet met een geheel identieke vraagstelling want dan zouden de resultaten nog beter vergelijkbaar zijn, zouden we (wellicht) echte trends kunnen destilleren.

Nu gaat dat toch wat moeizaam. Bij de presentatie van de resultaten wordt daar betrekkelijk makkelijk over gedaan: de belangrijkste verandering wordt geconstateerd in het gebruik van social networking sites (Facebook, Twitter, etc.): van 35% dagelijks gebruik naar 46%. Alleen, die 46% heeft betrekking op dagelijks privé gebruik; voor het werk is dat nog steeds ‘maar’ 23%. Hier wreekt zich duidelijk de veranderde vraagstelling.

Discussielijsten blijken onveranderd populair (“Despite their definite 1.0 clunkiness, they are still useful and used .”), terwijl rss-feeds zich net als vorig jaar nog steeds niet in een grote populariteit kunnen verheugen bij bibliotheekmedewerkers. Ik deel de verbazing van de WebJunction-blogger dat bijna de helft van de respondenten het nog steeds zonder blijkt te kunnen doen. ‘Onbewust onbekwaam’, blogde ik vorig jaar wellicht een beetje onaardig. Misschien zou ik het anders moeten formuleren: ze weten niet wat ze missen!

Advertenties

Weekoogst #36

Kleine broer
Ten opzichte van grote broer WorldCat is het Nederlandse GGC natuurlijk maar een kleintje. Maar toch. In 2010 is de grens van 16 miljoen titels in het GGC gepasseerd waarvan gemiddeld bijna 2,5  exemplaren per titel aanwezig zijn bij de GGC-bibliotheken (ruwweg de UBs, speciale wetenschappelijke bibliotheken, de hogeschoolbibliotheken en de Plusbibliotheken). Het merendeel van deze publicaties is in het Engels (bijna eenderde), met Nederlandstalige titels als goede tweede met een kwart van het totaal. Het GGC zien groeien? (zelfs op Tweede Kerstdag!) Klik hier. Het aantal exemplaren staat op het moment van schrijven op 38.553.980.

Leuk speeltje
De eigenaar van WorldCat, OCLC, heeft een onderzoeksafdeling die met enige regelmaat experimentele applicaties aflevert, die de ene keer wel en de andere keer niet tot een volwaardige dienst leiden. MapFAST is weer een nieuw voorbeeld van een leuke, maar ook nuttige, toepassing van Google Maps data enerzijds en geografische descriptoren uit WorldCat anderzijds. Zoek een bepaalde geografische locatie op, die wordt onmiddellijk op Google Maps geprojecteerd inclusief de omliggende geografische descriptoren en de mogelijkheid meteen een zoekactie in WorldCat of Google Books uit te voeren. 

Hijgerig
ScienceGuide, het nieuwsplatform voor de kennissector, presenteerde vlak voor Kerst de resultaten van onderzoek naar het gebruik van sociale media door hogeronderwijs-instellingen. Nederland lijkt daarin geen beste beurt te maken. Ondanks dat we inmiddels op Twitter ons mannetje blijken te staan (een derde plaats in Europa wat betreft het aantal volgers), blijken we op Facebook de boot geheel te missen terwijl aanwezigheid daar “juist om wereldwijd jong talent te trekken en te binden (…) een actieve en hoogwaardige presentie daar inmiddels essentieel” is. Volgens wie dat laatste overigens zo is, wordt nergens aangegeven.

Het hele artikel heeft een nogal hijgerige en ongenuanceerde toon. Instellingen die de euvele moed hebben nog geen Facebook-account te hebben en/of te Twitteren worden simpel weggezet als dinosauriërs, terwijl instellingen die puur op de omvang van hun aantal volgers of vrienden boven komen drijven boven elke twijfel verheven zijn. Hoe de sociale media worden ingezet lijkt er niet toe te doen, als je het maar doet. Soms zou ik ook over een dergelijk simpel wereldbeeld willen beschikken.

Weekoogst #32

Van die dingen
Afgelopen week organiseerde de afdeling Hogeschool Bibliotheken van de NVB een ideeënmarkt onder de titel Na 23 dingen. Elke zichzelf respecterende bibliotheek heeft in de afgelopen jaren wel op een of andere manier met het eigen personeel deze onderdompeling in web 2.0-toepassingen ondergaan, maar wat beklijft daar nu van? Welke ‘dingen’ worden toepassingen die in de dienstverlening en de ondersteuning van onderwijs en onderzoek daadwerkelijk en effectief worden geïntegreerd? Lees hier het verslag van HB-bestuurslid Raymond Snijders.

Is er toekomst voor de UP?
Universitaire uitgeverijen, we kennen er niet zo veel in Nederland (meer). De AUP natuurlijk, en de LUP,  maar in vergelijking met andere landen is dat toch uitermate bescheiden. De toekomst van die universitaire uitgeverijen is ook nog eens uiterst onzeker, want hun traditionele afnemers (de UBs) hebben geen geld meer om prijzige monografieën te kopen en hun moederinstellingen, de universiteiten zelf, zien vaak geen brood meer in dit ‘speeltje’. Over die onzekere toekomst is het gehele laatste nummer van het Journal of Electronic Publishing volgeschreven, en niet door de minste auteurs. Paul Courant, Clyfford Lynch en Joe Esposito leveren bijvoorbeeld een bijdrage. In die van Lynch kun je zonder grote problemen de contouren van OAPEN terugvinden.

Spectaculair
Je hoort en leest wel steeds over de zoveelste inleesoperatie in WorldCat en de groei die daarmee gegenereerd wordt. Onderstaand diagram uit het nieuwe jaarverslag van OCLC maakt het allemaal nog eens inzichtelijk: de groei is echt spectaculair.

Een blik in de spiegel

If you build it, will they come? is de wat retorische titel die door het Britse Research Information Network is meegegeven aan hun onderzoeksverslag over het gebruik van web 2.0-toepassingen (‘dingen’) door Britse onderzoekers. Nee, ze komen dus niet vanzelf tenzij het aanleren van het nieuwe kunstje weinig energie vereist, het nieuwe kunstje ook eenvoudig in te passen is in bestaande werkpraktijken en het nut, vooral uit te drukken in tijdwinst, direct duidelijk is. Op zich niet zo’n verbazingwekkende conclusie, maar het is goed je te realiseren dat er veel meer kán, en wellicht ook nuttig lijkt, dan dat er in de realiteit gebruikt zal worden. If you build it, they may come, maar een garantie voor succes is er niet.

Belangrijke vraag daarbij is ook: gaat dat bij ons, informatiespecialisten, dan anders? Komen wij wel als er iets gebouwd wordt? Het ook al niet verrassende antwoord op deze vraag is eveneens: nee, niet vanzelf. Dat wordt nog eens duidelijk uit het recente onderzoek van WebJunction naar het gebruik van online tools, inclusief web 2.0-toepassingen, door bibliotheekmedewerkers. Onderstaande grafiek vat de uitkomsten samen:

2010 survey Usage of Online Tools

Dat discussielijsten nog steeds de meest (= intensiefst) gebruikte online tool zijn, verbaast me niet echt. Waar ik echter door verrast werd, was het geringe gebruik van rss-feeds. Dat zou nog duidelijker uit bovenstaande grafiek blijken als er voor gekozen zou zijn in aflopende volgorde de niet-gebruikte online tools te presenteren. 50% van de aan dit onderzoek deelnemende bibliotheekmedewerkers zegt rss nooit te gebruiken.

Ik kan me dat niet meer voorstellen. Een aantal maanden geleden heb ik al eens beschreven hoe ik van de leg raakte toen mijn feedreader door onze lokale IT-afdeling om zeep was geholpen. Inmiddels ben ik heel tevreden over Google Reader en ik zou echt niet weten hoe ik op een andere wijze nog enigszins greep zou kunnen houden op wat er in de bibliotheek- en informatiewereld om mij heen gebeurt zonder rss. Kunnen anderen dat wel, of denken ze dat te kunnen, of verkeren ze in die gelukzalige toestand van ‘onbewust onbekwaam’?

Weekoogst #3

Leermiddelenrepositoria
Hoe gaat het eigenlijk met LOREnet, het project van al weer enkele jaren geleden waarin naar voorbeeld van DAREnet (inmiddels opgenomen in NARCIS) een gedistribueerd systeem van repositories opgezet zou worden voor het opslaan én – vooral – hergebruiken van leermiddelen in en door het hoger onderwijs? LOREnet bestaat nog steeds, maar lijkt een weinig florissant bestaan te leiden. Het laatste nieuws dateert van bijna twee jaar geleden, het aantal deelnemende instellingen zit net boven de tien en het aantal beschikbare leermiddelen is ook niet om over naar huis te schrijven.
Ik werd aan LOREnet, en deze weinig bemoedigende stand van zaken, herinnerd door de aankondiging van een symposium in Engeland met als thema:  Learning and teaching repositories: is this the last chance? Dat lijkt me de actualiteit redelijk weer te geven.

Google Book Search
Terwijl judge Chin zit te broeden over zijn Salomons oordeel in de Google Book Search rechtszaak, gaan mijn favoriete commentatoren onverdroten door met het belichten van deze zaak en het speculeren over mogelijke uitkomsten. Jonathan Band stelde een fraai grafisch overzicht samen van de consequenties van mogelijke uitspraken van Chin, zonder daar overigens uitputtend in te kunnen zijn. Wat de uitspraak straks ook zal zijn, er ligt ons hoogstwaarschijnlijk nog een lange weg van beroepsprocedures te wachten. En James  Grimmelmann beargumenteerde nogmaals waarom naar zijn mening Google bij een goedkeuring van de voorliggende overeenkomst Google een quasi-monopolie krijgt op het digitaal beschikbaar stellen van de zogenaamde verweesde werken.
En Google? Google digitaliseert rustig door. Deze week werd bekend dat met de Italiaanse overheid een overeenkomst is afgesloten voor de digitalisering van een miljoen Italiaanse publicaties, wel overigens alleen titels uit het publieke domein. En met de Amerikaanse bibliotheekpartners worden de banden steeds inniger aangehaald, zoals deze week met de University of Virginia.

Hoe verder na 23 Dingen?
Elke zichzelf respecterende bibliotheekorganisatie heeft in de afgelopen jaren een 23 dingen-cursus of een variant georganiseerd. Wie wil weten welke varianten dat allemaal geweest zijn, en wat er inmiddels zo her en der aan praktische toepassingen uit is voortgevloeid, kan terecht bij het boekje Hoe verder na 23 Dingen?
De UB Leiden is inmiddels in het diepe gesprongen met een 13 dingen-variant voor de eigen studenten, docenten en onderzoekers. Ik ben benieuwd hoeveel cursisten ze hiermee weten te trekken. Sommige ‘lessen’ lijken me in ieder geval nog weinig uitgewerkt en niet echt aan te sluiten bij de werk- en studeerwereld van de doelgroepen.

JSTOR
Tot ons meest gebruikte digitale tijdschriftmateriaal behoren de archieven die via JSTOR beschikbaar worden gesteld. Het betreft hier vooral, maar zeker niet uitsluitend, de digitale archieven van een groot aantal geesteswetenschappelijke en sociaal-wetenschappelijke tijdschriften. JSTOR hanteert een zogenaamde moving wall, waardoor de meest recente jaargangen van de opgenomen tijdschriften meestentijds niet toegankelijk zijn, of via een andere licentie (en uiteraard tegen betaling) beschikbaar worden gesteld. JSTOR is sinds kort bezig met geselecteerde uitgeverijen ook de toegang te regelen tot juist die meest recente jaargangen in het kader van het Current Scholarship Program. Deze week werd de University of Chicago Press binnengehaald. In 2011 moet het programma echt van start gaan.

eScholarship

Kijk, daar kan ik dan toch wel een beetje moedeloos van worden. Word je geattendeerd op een nieuw onderzoek naar de wensen en noden van wetenschappers op het gebied van wetenschappelijke communicatie (gebaseerd op uitvoerige interviews met 160 Amerikaanse wetenschappers uit zeven verschillende disciplines, netjes verdeeld over alfa, bèta en gamma), blijkt het onderzoeksrapport liefst 733 pagina’s te beslaan! Natuurlijk, er is een executive summary van 20 pagina’s maar daarin gaat toch weer veel van de detaillering en de nuance verloren. Ik denk dat ik daarom eerst maar eens één hoofdstuk over één discipline op m’n nachtkastje leg. En als ik daar heel enthousiast over word, dan volgen die andere hoofdstukken misschien vanzelf nog wel.

Maar natuurlijk kan ik het niet laten een paar citaten uit die executive summary te halen:

Our work has confirmed the important impact of each discipline’s nature, culture, and traditions on many scholarly communication habits in research universities; the peerreviewed journal article is the primary mode of scholarly dissemination in the sciences and the quantitative social sciences, while the more interpretive, historical, and qualitative disciplines rely heavily on the university press monograph with a varying mix of journal articles, critical editions, and other publications. These traditions, which rely heavily on various forms of peer review, may override the perceived “opportunities” afforded by new technologies, including those falling into the Web 2.0 category.

We found no evidence to suggest that “tech-savvy” young graduate students, postdoctoral scholars, or assistant professors are bucking traditional publishing practices. In fact, as arguably the most vulnerable populations in the scholarly community, one would expect them to hew to the norms of their chosen discipline, and they do. Established scholars seem to exercise significantly more freedom in the choice of publication outlet than their untenured colleagues, although in the sciences, high-impact publications remain important for garnering research grants throughout a career.

Scholars must balance concerns about prestige and impact factor with considerations of audience and the technical affordances of particular media when choosing a publication outlet. The inherent diversity in publication practices makes precise terminology absolutely imperative. Such precision includes being clear about what is meant by “open access” publishing (…) Although there is a universal embrace of the rapidly expanding body of digital “primary” sources and data, there is an equally strong aversion to a “glut” of unvetted secondary publications and ephemera. The degree to which peer review, despite its perceived shortcomings, is considered to be an important filter of academic quality, cannot be overstated.

we caution against assumptions that “millennials” will change the social landscape of scholarship by virtue of their facility with cell phones and social networking sites. There is ample evidence that, once initiated into the profession, newer scholars—be they graduate students, postdoctoral scholars, or assistant professors—adopt the behaviors, norms, and recommendations of their mentors in order to advance their careers.

In sum, our research suggests that enthusiasm for the development and adoption of technology should not be conflated with the hard reality of tenure and promotion requirements (including the needs and goals of final archival publication) in highly competitive and complex professional environments. Experiments in new genres of scholarship and dissemination are occurring in every field, but they are taking place within the context of relatively conservative value and reward systems that have the practice of peer review at their core. Perhaps, as a consequence, we found that young scholars can be particularly conservative in their research dissemination behavior, and that established scholars can afford to be the most innovative with regard to dissemination practices.

Although robust infrastructures are needed locally and beyond, the sheer diversity of scholars’ needs across the disciplines and the rapid evolution of the technologies themselves means that one-size-fits-all solutions will almost always fall short. As faculty continue to innovate and pursue new avenues in their research, both the technical and human infrastructure will have to evolve with the ever-shifting needs of scholars. This infrastructure will, by necessity, be built within the context of disciplinary conventions, reward systems, and the practice of peer review, all of which undergird the growth and evolution of superlative academic endeavors.

Oh ja, de titel van het rapport luidt: Assessing the Future Landscape of Scholarly Communication: An Exploration of Faculty Values and Needs in Seven Disciplines.

Infoinfarct

Hoe snel gaat het nu met web 2.0? Hoeveel blogposts worden er per dag geschreven? (bijna 900.000!) Hoeveel YouTube-filmpjes per uur bekeken? (42 miljoen!) Hoeveel tweets per seconde de wereld ingestuurd? (zo’n 50) Heel snel dus.

Gary’s Social Media Count laat het allemaal in één blik zien. Aangezien het me in de gauwigheid niet lukte Gary’s counter te embedden (WordPress wil dat geloof ik ook niet), geef ik hier maar even alleen de link. En klikken hoor!

Aan informatie geen gebrek, toch?

Ontvrienden ‘ontmaskerd’

Het is te aardig om er geen melding van te maken: woord van het jaar ‘ontvrienden’ blijkt, na een simpele zoekactie in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, helemaal geen nieuw woord maar uit de 17e eeuw te stammen.

Maar hoe zit het dan met ‘mijn’ voorspelde woord van het jaar 2010 ‘ontvolgen’? Ook snel maar even in de WNT gezocht, maar geen resultaat. Google Book Search is dan natuurlijk ook een goed alternatief, en ja hoor, ‘ontvolgen’ levert drie zoekresultaten op: Nederlandstalige publicaties uit respectievelijk 1625, 1771 en 1781. Nadere bestudering van die zoekresultaten is echter wat teleurstellend. Twee van de drie resultaten lijken op indexeer-onvolkomenheden te berusten, terwijl het derde zoekresultaat ‘ontvolgen’ oplevert omdat in de scan van het betreffende boek (het twintigste deel van de Verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen uit Haarlem) onderaan pagina 288 het laatste woord, ‘ont-‘, gekoppeld wordt aan het eerste woord op de volgende pagina, ‘volgen’, maar het betreft dan wel pagina 305! Waar de tussenliggende pagina’s zijn? Tja, dat weet Google alleen.

Ontvolgen

Met twitteren en ontvrienden als het woord van het jaar 2009 van respectievelijk Onze Taal en Van Dale, is het onvermijdelijk dat ontvolgen het woord van jaar 2010 wordt. Ik ben niet de eerste die dat ‘voorspelt’, maar moest er wel aan denken toen ik (ik geef het toe: voor het eerst) het woord ontvolgen tegenkwam in het boek Ambtenaar 2.0 van Informatieprofessional van het jaar Davied van Berlo. Hij schrijft daarin bij zijn uitleg over twitteren (we hebben het over najaar 2008!) over ontvolgen nog tussen aanhalingstekens, een teken van de op dat moment blijkbaar nog gebrekkige inburgering van het woord. Ontvrienden levert op dit moment bij Google ruim 145.000 hits op, ontvolgen slechts 450. Ik ben benieuwd hoe die getallen er aan het eind van dit kalenderjaar uitzien.

Mosterd na de maaltijd?

Afgelopen maandag was ik bij een door de KNAW georganiseerd symposium over peer review (de presentaties zijn inmiddels beschikbaar op het web). Het ging overigens niet alleen over peer review van wetenschappelijke artikelen, maar ook over peer review in de vorm van visitatiecommissies en beoordeling van onderzoeksubsidies. In zijn inleiding stelde KNAW-president Robbert Dijkgraaf dat congresthema’s die met een vraagteken besluiten, zoals het thema van dit symposium ‘Does Peer Review still have a future?’, meestal als achterliggende gedachte een bevestigend antwoord hebben. Hetgeen door de daaropvolgende presentaties inderdaad onderstreept werd. Ja, peer review heeft nog toekomst, al zal het soms wat anders moeten.

Geldt dat nu ook voor het vraagteken achter Mosterd na de maaltijd? Is het nieuwe initiatief van SURF voor een eigen variant van de 23 dingen, deze keer 21 edingen, een (te) laat aanschuiven bij een trend die al weer over z’n hoogtepunt heen is? Hier is het denk ik nog te vroeg voor een bevestigend antwoord. SURF richt zich in ieder geval met dit programma op een nieuwe doelgroep (ICTO-medewerkers en docenten in het hoger onderwijs), in potentie een hele grote maar ook een waarvan ik verwacht dat ze nu niet heel erg zitten te wachten op een programma van ongeveer een half jaar tussen alle drukke onderwijs- en onderzoeksbesognes door. Maar goed, ik ben benieuwd welke ‘dingen’ er nog meer gaan volgen behalve de zeven die nu al op de website vermeld staan. Het biedt in ieder geval aan al de spijtoptanten in de universiteitsbibliotheken die in de afgelopen jaren hun eigen lokale variant gemist hebben vanaf januari 2010 een mogelijkheid alsnog de inmiddels niet meer zo wondere wereld van web 2.0 te betreden.

Ook (net) beschikbaar: