Archief voor de ‘onderzoek’ Tag

TWIT #31

TWIT

Op de hoogvlakte

Afgelopen week verscheen er een interessant rapport van het Rathenau Instituut. Een terugblik op 20 jaar onderzoeksevaluatie in Nederland, eerst op basis van VSNU-protocollen en vanaf 2003 op basis van het Standard Evaluation Protocol (SEP). Het rapport is kort in z’n soort (nog geen 20 pagina’s), kent een aantal onthullende grafieken en taalgebruik dat gelukkig nu eens niet verhullend is.

Voorbeeldje?

In onderstaande tabel staat aangegeven wat het doel is dat verschillende landen nastreven met hun systeem van landelijke onderzoeksevaluatie. In een aantal landen is dat duidelijk:  En in Nederland? Zie de tabel (p.15). ;-)

Rathenau1

De auteurs van het rapport vatten dat als volgt samen: “het (ontbreekt) in Nederland aan een nationale doelstelling, aan een centrale organisatie die verantwoordelijkheid draagt en aan voorgeschreven consequenties verbonden aan de uitkomst van een evaluatie. De Nederlandse situatie is uniek: de verantwoordelijkheid ligt volledig bij de instellingen.”

Onderstaande grafiek (p.10) is de meest opvallende uit het rapport: in de afgelopen twintig jaar is de gemiddelde beoordeling van dat onderzoek voor alle vijf onderzochte criteria gestegen van een 3,5 (tussen voldoende en goed, op een schaal van 5) naar 4,5 (tussen zeer goed en excellent, op een inmiddels aangepaste schaal van 5). Kortom, gemiddeld is ons wetenschappelijk onderzoek internationaal concurrerend, zo niet wereldleidend!

Rathenau2

Het deed bij mij meteen de vraag postvatten: wordt er dan nooit meer een ‘laag’ cijfer uitgedeeld? (er rekening mee houdend dat zelfs een 2 volgens de huidige schaal nog altijd een voldoende is). Daarvoor zou ik natuurlijk toegang moeten hebben tot de database die aan het onderzoek van Rathenau, overigens in samenwerking met CHEPS van de Universiteit Twente, ten grondslag ligt: de PER Base waarin de resultaten van alle onderzoeksevaluaties sinds 1993 zijn opgeslagen. Op de websites van Rathenau en CHEPS is echter geen link naar die database terug te vinden. En dus maar de vraag daarnaar op Twitter gezet:

Het antwoord van Rathenau kwam de volgende dag:

Nu kan ik dat wel doen, maar het is natuurlijk toch raar dat in het huidige tijdsgewricht van verantwoording en transparantie een dergelijke database niet gewoon voor iedereen toegankelijk is. Zou het feit dat dat niet zo is wellicht samenhangen met het feit dat universiteiten, in tegenstelling tot hetgeen ze daarover afgesproken hebben, onderzoeksevaluaties niet in alle gevallen openbaar maken? En dat ze dus ook niet willen dat iedere willekeurige Nederlandse burger door te neuzen in die database er achter zou kunnen komen dat toch niet al dat wetenschappelijke onderzoek excellent en wereldleidend is?

Het Nederlandse hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt regelmatig vergeleken met een hoogvlakte zonder pieken. Ik ben toch ook benieuwd of die hoogvlakte niet enkele diepe dalen kent.

TWIT #8

TWIT

TWIT #7

TWIT

Weekendvitaminen #49

Op het nachtkastje

Beeld van de week

Geinig. En met dank aan Stephen Abram.

Mag ik hier nog even op terugkomen?

Het overkomt me wel vaker: je schrijft een blogpost, een paar dagen (of soms weken) later wil je er nog iets aan toevoegen en wat doe je dan? Meestal kies ik er dan voor een reactie op mijn eigen post te geven, soms laat ik het maar voor wat het is. Maar deze keer heb ik er voor gekozen er een apart bericht aan te wijden. Er is namelijk voldoende om op terug te komen.

*bloos* (22 augustus 2012)
Het onderzoek van OCLC waar ik in dit bericht aan refereerde (en dat zo positief voor mij was uitgepakt) is inmiddels van de nodige kanttekeningen voorzien, om het eufemistisch uit te drukken. Gerard Bierens besteedde er eerst twee pagina’s aan in Digitale Bibliotheek en vervolgens een bericht op z’n eigen blog. In de commentaren werd hij bijgevallen: wat denkt OCLC wel niet op basis van 152 respondenten (wie? hoe representatief?) allemaal te kunnen concluderen? OCLC’s Cathy de Rosa liet zich daardoor echter niet tegenhouden om op de OCLC contactdag op 2 oktober jl. de resultaten van het onderzoek nog eens breed uit te meten. De groep Nederlandse respondenten bleek er zo uit te zien:

Alle presentaties van de contactdag zijn inmiddels beschikbaar.

Darnton Discusses DPLA (27 september 2012)
Van Robert Darntons lezing over de Digital Public Library of America in de Amsterdamse Singelkerk is een verkorte versie van 10 minuten nu beschikbaar.

Nederland Discoveryland (24 mei 2012)
Ten opzichte van een maand of vier geleden is het beeld over de keuze voor een discovery tool door Nederlandse wetenschappelijke bibliotheken zo langzamerhand uitgekristalliseerd. Delft houdt het bij haar eigen product, in Utrecht zit men nog midden in de afweging of er überhaupt nog wel een discovery tool nodig is en voor de rest is de Nederlandse ‘markt’ verdeeld door drie producenten; EBSCO vist voorlopig achter het net met haar EBSCO Discovery Service.

Primo – ExLibris

Summon – Serials Solution

  • Erasmus Universiteit Rotterdam – sEURch
  • Technische Universiteit Eindhoven – Focus
  • Radboud Universiteit Nijmegen – RUQuest
  • Universiteit Maastricht – Maastricht Summon

WorldCat Local – OCLC

  • Tilburg University – Get it!
  • Rijksuniversiteit Groningen
  • Koninklijke Bibliotheek

Het overzicht van de hogeschoolbibliotheken is er nog niet.

Whatever Happened to the Ngram Viewer? (18 september 2012)
Maarten Marx, de man achter de site Political Mashup en de politieke Ngram Viewer (op basis van de gedigitaliseerde Handelingen van de Staten Generaal), is genomineerd voor de Nederlandse Dataprijs 2012, de gezamenlijke prijs van DANS en 3TU.Datacentrum.  Op 18 oktober is de bekendmaking van de prijswinnaars.

Open Access (nou ja, bijna) (24 september 2012)
Toen ik mijn recensie schreef van Peter Subers Open Access kende ik niet de blogpost van Kent Anderson op The Scholarly Kitchen over Subers boek en de ‘verwijten’ die hij Suber maakt voor het niet principieel kiezen voor het open access aanbieden van zijn boek maar te kiezen voor een embargo van een jaar bij MIT Press. Door vakantie mis je nu eenmaal wel eens iets en in dit geval ook nog eens 80 reacties. Ik blijf me erover verbazen: de emoties die door open access opgeroepen worden, bij voor- én tegenstanders. Op de Liblicense lijst gaat het op dit moment ook weer van dik hout zaagt men planken. Zonde van al die energie.

Weekendvitaminen #33

Op het nachtkastje

  • Assessing the role of librarians in an Open Access world (InTech Open, June 2012)
  • Survey Report on Digitisation in European Cultural Heritage Institutions 2012 (ENUMERATE)
  • Onderzoekscoördinatie in de gouden driehoek. Een geschiedenis (Harry Lintsen & Evert-Jan Velzing). Een beetje off topic, maar gelet op alle aandacht voor topsectoren en wat dies meer zij niet onbelangrijk.
  • The European Library Standards Handbook, Version 1.0 (Europeana). Voor de liefhebbers…
  • Kirk Hess, Discovering Digital Library User Behavior with Google Analytics (Code4Lib, Issue 17)
  • JISC Inform (Summer 2012) met o.m. artikelen over de entrepreneurial spirit in bibliotheken en het inmiddels al vaak genoemde Researchers of Tomorrow.

Beeld van de week

Bovenstaand beeld komt uit een op auteurs gerichte Prezi van SAGE waarin advies gegeven wordt over wat je moet doen om een artikel te schrijven dat geciteerd gaat worden (afgezien uiteraard van het feit dat de inhoud iets om het lijf heeft en het goed geschreven is): How to Publish a Discoverable Journal Article: Tips for Writing a Paper that will Get Cited. Ik kan me niet herinneren eerder een dergelijk cijfer gelezen te hebben (maar dat kan uiteraard aan mij liggen): in 60% van de gevallen komen informatie-zoekenden via Google (Scholar) bij de artikelen van SAGE terecht. Dat doet natuurlijk de vraag rijzen: komen die resterende 40% via de websites/discovery tools/linkresolvers van wetenschappelijke instellingen, of is dat 25%, of 10%, of … Iemand bekend met andere cijfers over dit fenomeen? Ik houd me aanbevolen. #dtv

De ene citatie is de andere niet

Via de blog van Paul Wouters, van het Leidse CWTS, werd ik geattendeerd op een Zweeds proefschrift over citatiegedrag in de geesteswetenschappen, getiteld Following the Footnotes. Belangrijk zijn niet zozeer de nieuwe inzichten van Björn Hammarfelt, als wel de empirische onderbouwing die hij levert voor ideeën en inzichten over het van (natuur-) wetenschappers afwijkende citeergedrag van geesteswetenschappers en de noodzaak daar bij onderzoeksevaluaties terdege rekening mee te houden. Paul Wouters vat dat als volgt samen:

Hammarfelt’s thesis confirms that the humanities can be characterized as divergent (rather than convergent), as very wide ranging and interdisciplinary (proven by the reference analysis performed by Hammarfelt), as rural in the sense of sparsely populated villages of researchers focusing on a particular topic (rather than busy laboratories that are more like bustling cities), and as fragmented (scholars are quite independent of each other which gives them a lot of freedom, but also makes it more difficult to speak with a common voice regarding resources). The interdisciplinary nature of literary studies seems to be rising, and Hammarfelt even detects a turn to the social, because he sees more connections between the humanities and specific fields in the social sciences such as gender studies, and post-colonial studies. So there might be a social turn after the linguistic turn some decades ago. Overall, the thesis concludes that three features are most important to understand referencing and citations in the humanities: the strong independence of humanities scholars; the rural organization; and the diverse audiences of the fields. The latter goes together with a rather low codification of the literature because it needs to be understood by a wide range of people.

Hammerfelt concludeert zelf aan het eind van zijn proefschrift:

In het huidige universitaire klimaat is daar echter betrekkelijk weinig gehoor voor. Ten onrechte dus.

Weekendvitaminen #30

Op het nachtkastje

  • One Culture. Computationally Intensive Research in the Humanities and Social Sciences. Report on the Experiences of First Respondents to the Digging Into Data Challenge (rapport van CLIR)
  • Bo-Christer Björk, The Hybrid Model for Open Access Publication of Scholarly Articles: A Failed Experiment? In: JASIST (2012).
  • Heather Hessel & Janet Fransen, Resource Discovery: Comparative Results on Two Catalog Interfaces. In: Information Technology and Libraries (2012). Data in artikel dateren uit 2009 (vòòr de opkomst van de discovery tools), maar de observaties over verschillen in het zoeken tussen gebruikersgroepen, inclusief bibliothecarissen, snijden nog steeds hout.
  • Mary Francis, Peer Reviewers of Academic Journals. Who is Responisble for our Professional Literature. In: College & Research Libraries(2012). Twijfelgeval, want mijn wenkbrauwen gingen wel omhoog toen ik las: “From the editor surveys there were six responses for a 54% response rate.”

Beeld van de week

Data gepresenteerd door het Canadese onderzoeksinstituut Higher Education Strategy Associates op basis van een database met gegevens over 47.000 personen. Gelukkig voegen ze er de volgende kanttekeningen aan toe:

There are three reasons why a scholar might have an H-index of zero. The first is age; younger scholars are less likely to have published, and their publications have had less time in which to be cited. The second is prevailing disciplinary norms. There are some disciplines – English/Literature would be a good example – where scholarly communication simply doesn’t involve a lot of citations of other scholars’ work. The third is simply that a particular scholar might not be publishing anything of particular importance, or indeed publishing anything at all.

Ik vond op hun website ook meteen een recent rapport over de Canadese wetenschappelijke productie, Making Research Count: Analyzing Canadian Academic Publishing Cultures, waarin op basis van de h-index met naam en toenaam de beste Canadese wetenschappers per discipline en de best scorende Canadese universiteit worden berekend.

80/6 in beeld gebracht

In m’n vorige post kwam het meest besproken resultaat van het OCLC-onderzoek naar het uitlenen van bibliotheekmateriaal al ter sprake: 6% van de collectie zou verantwoordelijk zijn voor 80% van de uitleningen. Rick Lugg weidde er een uitgebreide post aan, uiteraard ter ondersteuning van zijn stelling dat menige open opgestelde bibliotheekcollectie probleemloos in omvang verkleind kan worden, zonder dat de gebruikers van die collectie daar nadelige gevolgen van ondervinden.

Vandaag kreeg ik een presentatie onder ogen waarin de resultaten van de OCLC-studie op een leuke wijze gevisualiseerd worden, namelijk aan de hand van een van de boeksculpturen van Matej Kren: Idiom

De volledige presentatie van Tod Colegrove is hier te raadplegen, Idiom is in de eerste acht slides verwerkt.

Met dank aan John Robert Lang die een fijne neus heeft voor infographics en ander beeldmateriaal uit de bibliotheek- en informatiewereld.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 47 andere volgers