Calimero spreekt

Vorige week verscheen het langverwachte rapport van de commissie-Cohen, oftewel de commissie Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen. Deze commissie was in september 2007 ingesteld door minister Plasterk ingesteld om hem te adviseren over een “duurzame en hoogwaardige beoefening van de geesteswetenschappen” op basis van een op te stellen waarde- en positiebepaling van de geesteswetenschappen in Nederland in internationaal perspectief. De commissie had oorspronkelijk per 1 april 2008 haar advies uit moeten brengen, maar heeft uiteindelijk twee keer zo lang nodig gehad om tot haar advies (of pleidooi) te komen.

Want het rapport, Duurzame Geesteswetenschappen getiteld, is vooral een pleidooi voor een structurele verhoging van de eerste geldstroom voor de geesteswetenschappen met, op termijn, € 70 miljoen. De belangrijkste redenen die daarvoor worden aangevoerd zijn de onevenwichtige leeftijdsopbouw onder het wetenschappelijk personeel bij de geesteswetenschappelijke faculteiten (waardoor jonge docenten en onderzoekers bijna niet aan de bak komen) en het beperkte beroep dat vanuit de geesteswetenschappen nu eenmaal op de tweede en derde geldstroom (respectievelijk NWO en vooral private financiering) gedaan kan worden. Faculteiten worden door de commissie uitgedaagd toekomstgerichte plannen te formuleren die door een nieuw in te stellen Regieorgaan Geesteswetenschappen op hun merites beoordeeld zullen worden met het oog op additionele financiering. Wordt na enkele jaren geconstateerd dat de plannen inderdaad het gewenste effect hebben, dan zal de structurele financiering van de desbetreffende faculteit verhoogd moeten worden. Alhoewel minister Plasterk pas in het voorjaar van 2009 met een kabinetsreactie zal komen, liet hij na de presentatie van het rapport al wel weten bereid te zijn vanaf 2011 structureel € 15 miljoen extra in de ondersteuning van de geesteswetenschappen te willen investeren.

De bibliotheekvoorziening voor de geesteswetenschappen komt slechts mondjesmaat aan de orde in het rapport. Wel staat er die bijna onvermijdelijke zin: “Bibliotheken, archieven en musea zijn voor de geesteswetenschappen wat laboratoria zijn voor de natuurwetenschappen.” (p. 16), maar verder wordt er nauwelijks aandacht besteed aan de ook beslist niet riante positie van de geesteswetenschappelijke bibliotheken. En dat is des te opvallender omdat juist dit jaar het in veel opzichten zo succesvolle, door NWO, de universiteiten én de faculteiten geesteswetenschappen gezamenlijk gefinancierde project Bibliotheekvoorziening Geesteswetenschappen wordt beëindigd. In het kader van dit zogenaamde BGW-project is in de afgelopen tien jaar bijna € 9 miljoen extra geïnvesteerd in de wetenschappelijke informatievoorziening t.b.v. de geesteswetenschappen op basis van landelijke zwaartepuntenafspraken. Door die BGW-gelden is het mogelijk geweest veel uniek gedrukt materiaal aan te schaffen dat anders niet beschikbaar gekomen zou zijn in de collectie Nederland en zijn ook grote digitale tekstbestanden als Early English Books Online (EEBO) en Eighteenth Century Collections Online (ECCO) aangeschaft door de Nederlandse universiteiten. Per 1 januari a.s. valt de extra financiering, en daarmee in feite ook de bodem onder de zwaartepuntenafspraken, weg en de consequenties daarvan hadden best door de commissie-Cohen in haar eindrapport meegenomen mogen worden. Duurzame geesteswetenschappen zijn nu eenmaal ook afhankelijk van een adequate infrastructuur. Nu maar hopen dat minister Plasterk dit verzuim komend voorjaar goed zal maken in zijn kabinetsreactie, al zal dat wel ijdele hoop blijken te zijn.

5 comments so far

  1. Gerard on

    Hoi Bert,
    Hoe zit het nou met de effectiviteit van die BGW-gelden. Van Voorbij’s rapport kan ik weer eens geen chocolade maken. Is er relatief meer gepubliceerd? Worden wij meer geciteerd? Hoe zit het met de citatiegraad van het via BGW aangeschafte materiaal?

  2. Bert on

    Dag Gerard,
    ja, hoe effectief zijn die extra gelden geweest? Dat moet je uiteraard afzetten tegen de oorspronkelijke doelstelling: het tegengaan van de verschraling van het literatuuraanbod voor de geesteswetenschappen op landelijk niveau. Dat heeft dus niet zoveel met citeren of geciteerd worden te maken, alswel met de diversiteit van het literatuuraanbod. Vandaar een van de cruciale onderdelen van het project: de extra gelden mochten uitsluitend besteed worden aan materiaal dat nog niet in de collectie-Nederland aanwezig was. En uit dat rapport van Henk Voorbij blijkt ondermeer dat dat aanbod in de afgelopen jaren verbreed is. Dat was mogelijk omdat het om de besteding van extra gelden ging (en niet om de reguliere collectievormingsgelden die broodnodig zijn om het actuele aanbod voor het lokale onderwijs en onderzoek op peil te houden). Nu die extra gelden op zijn, ligt de in de afgelopen jaar bestreden verschraling weer levensgroot op de loer.

  3. Laval on

    En toch zou het interessant — en tot op zekere hoogte mogelijk, al zou men erg omzichtig te werk moeten gaan — zijn om die laatste vraag van Gerard te proberen te beantwoorden. ( Met de eerste twee kan men niets tot zeer weinig doen, dunkt mij — maar wellicht snap ik niet precies wat hij er mee bedoelt. )

  4. Gerard on

    Dag Laval,
    Ik word altijd wat chagrijnig van die rapporten van Henk Voorbij. In m’n impulsiviteit te cryptisch blijkbaar. In absolute zin stijgt het aantal GW publicaties, maar is dat ook zo per onderzoeker nu er zo geweldig veel hiaten en lacunes zijn opgevuld in de collectie Nederland? En zijn die extra publicaties van hoge kwaliteit doordat wij zoveel meer ondersteunend materiaal in de literatuurlijsten kunnen opvoeren?
    Ik geloof er allemaal niks van, van die hiaten en lacunes. Geeft me associaties met de “keyneskast” in de prbieb. 8 meter boeken waarvan er altijd maar 1 van 6 cm dik. De “general theory” werd gebruikt. Die kast is er niet meer. Ik leef nog en de economen van de UvA gaan steeds beter!!

  5. Bert on

    Hoi Gerard,
    als geesteswetenschapper-van-origine, want dat ben je toch?, weet je toch dat veel geesteswetenschappelijk onderzoek bestaat uit discussie met wat eerder over een bepaald onderwerp geschreven is. Daarbij maakt het vaak (maar zeker niet altijd) niet veel uit hoe lang dat geleden is, omdat er over veel onderwerpen maar een beperkt aantal boeken geschreven is. Een breed aanbod aan specialistische vakliteratuur (en daar richtte het BGW-project zich in eerste instantie op) draagt daarom bij aan een vruchtbare voedingsbodem voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Hoe schraler de bodem, des te slechter de oogst.
    Kan ik dat ‘bewijzen’? Nee. Dit leent zich nu eenmaal niet voor een experiment waarbij twee identieke onderzoeksgroepen over een periode van enkele jaren gevolgd worden, waarbij de ene groep over een rijker en breder literatuuraanbod kan beschikken dan de andere. Kun jij het tegendeel bewijzen? Nee, ook niet (of ???). Dat van die hiaten en lacunes is overigens wel degelijk door Henk Voorbij met kale cijfers aangetoond; hoe ‘erg’ dat allemaal is, is inderdaad meer een kwestie van inschatten en geloven.

    En Laval, ik hou me aanbevolen voor suggesties om de citatiegraad van de aangekochte BGW-publicaties te meten. Uit je opmerking dat we daarbij “erg omzichtig te werk” zouden moeten gaan, leid ik in ieder geval af dat het geen eenvoudige exercitie zal worden.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: