Archief voor februari 2009 | Maandelijkse archief pagina

Papier hier!

In Nederland hebben de universiteitsbibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek afspraken gemaakt over het bewaren van minimaal één, zo compleet mogelijke reeks van alle gedrukte tijdschriften die zij gezamenlijk in hun bezit hebben. Om de lasten daarvan zoveel als mogelijk te delen, is overeengekomen welke tijdschriften door welke bibliotheek bewaard moeten worden. Niet op titelniveau, maar op basis van een globale verdeling van wetenschapsgebieden. Uitgangspunt vormt de basisclassificatiecode die in de NCC aan een tijdschrifttitel is toegekend. En zo is de ‘rustplaats’ van het laatste exemplaar van een economisch tijdschrift de UB van Rotterdam, terwijl het laatste exemplaar van een juridisch tijdschrift in Tilburg terecht zal komen. Deze afspraken dienen als vangnet, om te voorkomen dat gedrukt tijdschriftmateriaal definitief uit de collectie Nederland verdwijnt. Bibliotheken hoeven natuurlijk niet tijdschriften uit hun collectie af te stoten, bibliotheken mogen best gezamenlijk meerdere exemplaren van bepaalde tijdschriften blijven bewaren, maar met de toenemende beschikbaarheid van digitale archieven van tijdschriften en de druk op het ruimtebeslag van gedrukt materiaal in bibliotheken en de beperkte opslagmogelijkheden van magazijnen, wordt er overal wel steeds serieuzer gekeken naar het bewaarbeleid voor tijdschriften. Is het nuttig, zinvol en efficiënt om van een en hetzelfde tijdschrift een volledige reeks zowel in Groningen, Utrecht als Amsterdam op de plank te hebben staan?

Deze afspraken vinden met gesloten beurs plaats. Er worden onderling geen kosten verrekend. Gezamenlijk worden de lasten gedragen om de collectie Nederland voor dit materiaal op peil te houden. Dat is anders in Engeland waar de Higher Education Funding Council for England deze maand 5 miljoen pond aan de British Library beschikbaar heeft gesteld om, na een succesvol afgeronde pilot, de tweede fase van de UK Research Reserve uit te voeren. Doelstelling van die UKRR is om van elk low use gedrukt tijdschrift in Britse bibliotheken minimaal drie exemplaren te bewaren, waarvan één exemplaar van elk tijdschrift in de British Library. Bibliotheken die willen deelnemen aan de UKRR kunnen zich voor een jaarlijks bedrag aansluiten en vervolgens op basis van een uitgewerkte workflow, met de nodige controlemomenten ingebouwd, hun tijdschriftencollecties gaan saneren zonder dat het gevaar is dat daarmee belangrijk materiaal uit de collectie UK verdwijnt. Doelstelling is om in vijf jaar zo’n 100 kilometer boekenplank vrij te maken en de bibliotheken waar dat gebeurt kunnen de vrijkomende ruimte aanwenden voor elk doel dat zij nuttig achten.

Ik ben benieuwd naar de resultaten over een paar jaar. Weliswaar moeten de deelnemende bibliotheken zelf een financiële bijdrage leveren, maar ze kunnen de kosten die ze moeten maken vervolgens ten laste brengen van het fonds van 5 miljoen pond; het behoud van drie exemplaren klinkt natuurlijk ook geruststellend en er is gegarandeerde IBL, digitaal of anderszins, door de British Library. Wat er in Nederland nu precies gebeurt op basis van de UKB-afspraken onttrekt zich toch een beetje aan het gezicht. Deze meer centralistische Britse aanpak levert ook op dat vlak meer duidelijkheid. Toch misschien een model dat navolging verdient?

Open Access is een zaak van … mannen!

Zoals bekend is 2009 door SURF en de samenwerkende instellingen voor hoger onderwijs in Nederland uitgeroepen tot Open Access jaar. Voorlichting en bewustwording bij alle betrokkenen behoren daarbij tot de speerpunten. In een korte video die een paar dagen geleden door SURF op YouTube is geplaatst, bepleiten de bobo’s van de Nederlandse wetenschappelijke instellingen de zaak voor Open Access. Om het geen monoloog te laten worden van VSNU-voorzitter Sijbold Noorda is er voor gekozen zijn betoog af te wisselen met een aantal oneliners van decanen, directeuren en college-leden. Inderdaad, allemaal mannen.

De ene quote spreekt wat meer aan dan de andere, en de ene bobo voelt zich voor de camera ook duidelijker meer op z’n gemak dan de andere. Martin Bossenbroek, directeur van de Koninklijke Bibliotheek, poneert dat wat blijkbaar goed genoeg is voor Harvard, zeker ook het overwegen meer dan waard is voor de Nederlandse wetenschappelijke wereld. Nu is de vraag natuurlijk welke kijkers van deze video zich meteen realiseren wat hij met ‘Harvard’ bedoeld. OA-adepten weten ongetwijfeld dat hij het dan over het mandaat heeft dat Harvard University vorig jaar heeft afgekondigd voor haar eigen personeel om al hun publicaties in het repository van Harvard te deponeren. Maar anderen? En is deze video nu juist niet vooral voor diegenen bedoeld die nog niet van de zegeningen van Open Access overtuigd zijn?

Afijn, na Harvard-aan-de-Amstel en Harvard-aan-de-Zuidas gaan we dit jaar dus voor Harvard-aan-de-Noordzee.

 

 

P.S. er is ook een versie met Engelstalige ondertiteling.

24/7

De Universiteit Utrecht meldt middels een nieuwsbericht in april te gaan experimenteren met nachtopenstelling van de universiteitsbibliotheek in De Uithof. Bij nadere lezing blijkt het te gaan om verlenging van de reguliere avondopenstelling van (nu) half elf naar twee of drie uur ’s nachts. Het experiment zal plaatsvinden tijdens de tentamenperiode voor een aantal dagen per week. Redenen: juist in tentamenperiodes is er behoefte aan studieplekken met een computeraansluiting om te studeren en, uiteraard, Amerikaanse universiteitsbibliotheken zijn toch ook 24 uur per etmaal open.

Dat laatste neem ik graag met een korrel zout. Ook in de Amerikaanse bibliotheekwereld groeien de bomen niet meer tot in de hemel (integendeel) en is die 24/7 openstelling van de fysieke locaties vaak voorbehouden aan een enkele bibliotheek op een campus. We hebben het er hier in Amsterdam soms ook wel eens over, maar afgezien van de kosten is dan toch ook altijd de vraag hoe groot de behoefte daadwerkelijk is. De UB sluit nu om kwart voor twaalf  ’s avonds en dan is de grote druk er echt wel van af. En dan hebben we het over een voorziening met het uitgaansleven van Amsterdam letterlijk om de hoek. Ik denk dan ook dat het experiment in Utrecht een grotere kans van slagen zal hebben als meteen op de locatie UB-Binnenstad wordt ingezet. De gouden combinatie ‘eerst inspanning, daarna ontspanning’ lijkt eerder daar dan op de Uithof te realiseren.

Transformatie: do or die

Het zijn in de woorden van de Amerikaanse Association of Research Libraries (ARL) Transformational Times. En dergelijke tijden vragen om herbezinning op taken en functies, met zo mogelijk het juiste evenwicht tussen kansen en bedreigingen. Binnen een tijdsbestek van nog geen drie weken heeft de ARL middels drie rapporten daar een bijdrage aan trachten te geven.

Eerst verscheen op 22 januari onder auspiciën van SPARC Raym Crows Campus-based Publishing Partnerships: A guide to critical issues (met onder meer de vermelding van de Bijbel in de Nederlandse Cultuur als een succesvol voorbeeld van samenwerking tussen bibliotheek en uitgeverij). Een nieuwe website ondersteunt de inzichten uit de gids. Vervolgens kwam op 3 februari The Research Library’s Role in Digital Repository Services vers van de pers. En als voorlopig laatste bijdrage aan de discussies over onze toekomst presenteerde de ARL afgelopen vrijdag 6 februari met het oog op een nieuw strategisch plan een zogenaamde Environmental Scan, een afgewogen mix van challenges en opportunities.

In krap 15 pagina’s passeren alle bekende issues als bezuinigingen, copyright, veranderingen in de wetenschapsbeoefening en scholarly communication de revue. Twee citaten:

  • Librarians need a deep, up-to-date understanding of knowledge creation processes as dissemination occurs throughout nearly the entire research process.
  • Research into faculty behavior and work practices is sorely needed to inform policy and service development.
  • Libraries are moving toward much closer engagement with scholars’ research practices to provide support for activities ranging from data curation to publishing services.
  • In the sciences, particularly, there is a danger that libraries will be left out as researchers “go it alone” in managing and disseminating new knowledge.
  • Libraries need closer involvement to meet scholar’s needs for tools oriented to research involving digital content.

En:

Course management systems will provide a logical nexus for distributing and highlighting resources, tutorials, communiqués, and other library assets. Library content that is pertinent, timely, focused on student assignments, and complementary to course learning outcomes should become the standard of service. Engagement with teaching faculty will produce best results.

Inderdaad: the times they keep on a-changin’.

How to Lie With Numbers?

Gistermiddag was de maandelijkse bijeenkomst met de faculteitsbibliothecarissen. Naast allerlei lopende zaken stond de UKB benchmark van de afgelopen jaren op de agenda. UKB zelf doet een beetje geheimzinnig over die benchmarking; de jaarlijks verzamelde gegevens zitten veilig opgeborgen achter een wachtwoord. Daar is misschien ook wel reden toe. Vanaf het allereerste begin wordt het benchmark-project namelijk geplaagd door onvolledig aangeleverde cijfers, interpretatieverschillen over indicatoren en de totaal verschillende wijze waarop de Nederlandse universiteiten hun financiële huishouding hebben ingericht.

Dat neemt niet weg dat uit al die cijferverzamelarij toch ook de nodige nuttige gegevens gedestilleerd kunnen worden. Zo blijkt de UvA bovengemiddeld bij te dragen aan het landelijke IBL van boeken (het lot van het laagste nummer in de NCC?) en wordt er in Amsterdam veel meer uitgeleend dan elders (ook niet echt een wonder gegeven de omvang van de collectie). Maar er blijkt ook uit de benchmark-gegevens dat er in Amsterdam benedengemiddeld gebruik gemaakt wordt van Web of Science en dat ook het aantal downloads uit ScienceDirect lager licht dan bij vergelijkbare instellingen. Daarvoor een verklaring geven is al weer wat moeilijker. Aan de omvang van de Amsterdamse doelgroep en de inrichting van de Digitale Bibliotheek kan het toch niet liggen.

Waar de cijfers met name hun waarde bewijzen is in de trends door de jaren heen en de mogelijkheid wijzigingen in beleid daarin te onderkennen. Zo scoorde de UvA in het begin van de benchmark slecht op het punt van de snelheid van boekverwerking. Door in te grijpen in dat proces is daar in de afgelopen jaren een aanzienlijke versnelling in gerealiseerd die zich nu ook in de benchmark vertaalt in betere scores op dit punt. De boekverwerking in Amsterdam behoort inmiddels tot de snelste onder de UKB-bibliotheken.

Dat dat toch ook weer ‘nadelen’  heeft bleek vanmiddag nog toen ik mijn eigen cijfers over 2008 aan het verzamelen en analyseren was. Snelle boekverwerking betekent bijvoorbeeld dat er minder ‘geprofiteerd’ kan worden van catalogisering elders in den lande. Voor de gemeenschappelijke onderwerpsontsluiting betekent dat dat er bij geesteswetenschappen maar voor 30% van onze actuele aanschaf (op jaarbasis zo’n 5.000 titels) al onderwerpsgegevens in de GGC aanwezig zijn. Zeventig procent van het aangeschafte materiaal (ruim 11.000 titels) moet dus door onszelf van onderwerpsgegevens voorzien worden, en dat vereist een behoorlijke inzet van vakspecialisten. Maar goed, daar profiteren onze collega’s elders dan weer van.

Disapproval Plan

Approval plan, het heeft nooit de thesaurus van de gemeenschappelijke onderwerpsontsluiting in de NCC gehaald. Daar moeten we het doen met het wat gezochte ‘zichtregelingen’. Niet dat daar iemand ooit op gaat zoeken, maar ja, bedenk maar eens een goed equivalent in het Nederlands. Overigens ontbreekt in de Engelstalige thesaurus de term ook en blijkt ‘zichtregelingen’, als nauwere term, onder ‘aanschafbeleid’ te hangen. Dat laatste is zo gek nog niet, behalve als je de Engelse vertaling in ogenschouw neemt: ‘purchasing policy’???

Dat alles mag echter niet wegnemen dat approval plans aan een langzame opmars bezig zijn in de Nederlandse wetenschappelijke bibliotheken. Naast Delft (dat er al zo’n twee decennia gebruik van maakt) zijn in de afgelopen jaren ondermeer de UBs van Amsterdam, de VU, Leiden en de Koninklijke Bibliotheek aan het experimenteren gegaan met deze vorm van collectievorming die in de Amerikaanse wetenschappelijke bibliotheekwereld al sinds jaar en dag gemeengoed is. Maak een collectievormingsprofiel toegesneden op de behoeftes vanuit onderwijs en onderzoek, bepaal het gewenste niveau van de publicaties en de uitgeverijen die afgedekt moeten worden en gespecialiseerde leveranciers (zoals YBP, Blackwell en Harrassowitz) leveren zonder verdere tussenkomst van bibliotheekpersoneel de publicaties die binnen het profiel passen. Uiteraard is de dagelijkse praktijk wel iets weerbarstiger dan hier wordt voorgesteld.

Twee Amerikaanse bibliotheekconsultants hebben nu iets nieuws bedacht: dezelfde op regels gebaseerde systematiek die je bij approval plans hanteert voor de selectie van nieuw materiaal gebruiken voor de selectie van materiaal dat uit de open opstelling verwijderd moet worden, en ze hebben daarvoor de term disapproval plan bedacht (nou ja, geleend van een collega-bibliothecaris). Hun methode komt ongeveer op het volgende neer: maak een voorselectie van materiaal dat in aanmerking komt voor verwijdering uit de open opstelling (bijvoorbeeld omdat het de laatste twintig jaar nooit is uitgeleend), houd die selectie tegen de actuele vraag vanuit onderwijs en onderzoek, bepaal de aanwezigheid van de afzonderlijke titels elders (de zgn. Surrogate Collection Index) en stel vast hoe moeilijk het is een eenmaal afgestoten titel eventueel te vervangen (de zgn. Withdrawal Risk Factor). Afhankelijk van de scores op de verschillende onderdelen leidt dat tot de (voorlopige) beslissing een titel toch in de open opstelling te behouden, te verplaatsen naar het gesloten magazijn of daadwerkelijk af te stoten. Na een laatste check kan die beslissing ook uitgevoerd worden.

Ik vind het een intrigerende gedachte. Zeker ook omdat we in Amsterdam bij geesteswetenschappen op structurele basis jaarlijks zo’n 250 meter boeken en tijdschriften (moeten) selecteren om uit de open opstelling naar het magazijn te verplaatsen (of, in veel mindere mate, echt af te stoten). Selectie van dat materiaal vindt overwegend titel voor titel plaats en is daarom nogal arbeidsintensief en persoonsafhankelijk. Een disapproval plan zou daar een steviger basis onder kunnen leggen. Wat overigens niet wegneemt dat er nog het nodige handwerk over zal blijven: bijna elke verplaatsing van boekmateriaal vereist ook nog eens een catalogusmutatie en het aanbrengen van een nieuwe signatuur, nog afgezien van het gesleep met het materiaal. Dat wordt door een disapproval plan de bibliotheek niet uit handen genomen.

Zelfkritiek

Een paar weken geleden maakte ik me vrolijk over een bericht in de Informatie Professional over de beloning van informatiespecialisten. Volgens een Amerikaans onderzoek zouden wij in Europa de best betaalde informatiespecialisten ter wereld zijn. Zowel op het IP-bericht als op het onderliggende onderzoek viel echter wel het nodige aan te merken. Ik heb in ieder geval geen reacties gekregen op mijn (weliswaar wat retorisch gestelde) vraag hoeveel informatieprofessionals in Nederland meer dan € 5.500 per maand verdienen.

In de nieuwe IP gaat vaste columnist Eric Sieverts onder de kop Informatie-analfabetisme ook op het bericht in. Eerst memoreert hij twee gevallen van dat informatieanalfabetisme, het gerucht (maar toch) dat voor de wetgeving rond het paddoverbod gewoon een lijst mogelijk hallucinogene zweefzwammen uit de Wikipedia is gekopieerd en de op bedrijfsspionage lijkende methodes waarmee een technisch bedrijfje ‘uit het zuiden des lands’ de bedrijfsgeheimen van de concurrentie tracht te achterhalen.

Maar vervolgens steekt hij de hand in eigen boezem: van dat berichtje in de IP over ons salaris klopt ook eigenlijk weinig! Sieverts memoreert de te smalle basis van het onderzoek, het gebrek aan representativiteit, omrekenfoutjes en de Beloningsmonitor van Hatch / Erwin la Roi. Zijn conclusie is dan ook: zo blijken informatiespecialisten soms ook wel eens informatieamateurs te zijn.

Prima, die zelfkritiek in eigen kolommen, maar ik had  dat toch al een paar weken eerder ook geconstateerd. Moeten we daarom nu hier spreken van gebrekkig vooronderzoek van Sieverts of van het vergeten van bronvermelding? En wat is in dat geval voor een informatiespecialist erger? Maar eigenlijk kan ik me dat beide juist van déze informatiespecialist niet voorstellen. Laten we het er daarom maar op houden dat mijn blog nog niet het gewenste bereik heeft. Werk dus aan de winkel!