Archief voor januari 2009 | Maandelijkse archief pagina

OA in 2009

Afgelopen jaar was het nog maar één dag, maar dit jaar gaan we voor een volledige week: van 19 tot en met 23 oktober a.s. zal het Open Access Week zijn. De drie dragende organisaties, PLoS, SPARC en Students for FreeCulture, hebben grootse plannen waarin deze keer ongetwijfeld ook een aantal Nederlandse instellingen (zoals SURF, maar wie van de Nederlandse universiteiten sluit zich als eerste aan?) zullen participeren. Vorig jaar lukte dat nog niet.

Nog wat ander OA-nieuws:

1) Blijkens een recent artikel zijn er volgens een beredeneerde schatting in 2006 ruim 1.345.000 artikelen gepubliceerd in wetenschappelijke, peer-reviewed tijdschriften. Een kleine 20% van die artikelen is een jaar na publicatie open access beschikbaar: 4,5% door onmiddellijke publicatie in een open access tijdschrift, nog eens 3,5% na een embargo-periode van maximaal een jaar en daarnaast nog eens zo’n 11,5% door beschikbaarheid in institutionele repositories of op persoonlijke webpagina’s. De auteurs geven dat aldus grafisch weer:

p391fig1

2) Het aantal geregistreerde repositories (bron: de OpenDOAR database) steeg in 2008 met een kleine 300 naar boven de 1.300. OpenDOAR biedt een aantal instructieve grafieken en statistieken, waaruit onder andere blijkt dat Nederland zesde staat op de ranglijst van landen met de meeste repositories.

3) Vorig jaar scoorde de UB Leiden goed in de Ranking Web of World Repositories: met afstand de hoogste genoteerde Nederlandse repository in deze wereldwijde ranglijst. De januari 2009-lijst geeft weer aanleiding tot vreugdegeluiden elders in den lande. Leiden is gezakt naar plaats 41 en voorbijgestreefd door het Utrechtse Igitur en de Groningse proefschriften-repository op de plaatsen 21 en 22. Beide repositories scoren vooral goed op het onderdeel Rich files (= full text). Daar scoort het Amsterdamse DARE juist heel slecht hetgeen resulteert in een 196e plaats in de ranglijst. De vraag is echter of hier niet een beetje appels met peren worden vergeleken: ook Amsterdam kent een aparte repository voor proefschriften (maar die komt in de lijst niet voor) en in Groningen is er ook een algemene repository (die ook in de lijst ontbreekt). Ach, die lijstjes, ze blijven vermakelijk.

Petje af!

Ik moet natuurlijk niet al te vaak mijn collega’s elders een pluim op de hoed steken, alsof daar in Amsterdam zelf geen aanleiding voor zou zijn, maar soms is er gewoon een goede reden toe. En die reden is deze keer de publicatie, niet alleen intern maar ook meteen voor de buitenwereld, van het collectieplan van de Leidse UB. Dat collectieplan geeft niet alleen een historische terugblik en een stand van zaken (ultimo 2007), maar ook zicht op uitbouw, consolidatie danwel afbouw van afzonderlijke collectieonderdelen.

Het Leidse collectieplan bestaat uit twee onderdelen, een algemene beschrijving van alle Leidse collecties, bibliotheeklocaties, magazijnen en hun relatie tot collecties elders (52 p.) en een gedetailleerde beschrijving van alle afzonderlijke collecties inclusief de bijbehorende collectievormingsprofielen (264 p.!). Dit deel heeft, begrijpelijkerwijs gelet op de omvang alleen al, alle kenmerken van een samenwerkingsproject tussen alle bibliotheekvestigingen van de Leidse universiteit. Bij deze collectievormingsprofielen wordt het gemeenschappelijke raamwerk gevormd door de uitgebreide Conspectus-onderverdeling (van 1 tot 10 in plaats van 1 tot 5) die door Els Peeters van de Nijmeegse UB is ontwikkeld.

Op deze wijze is veel nuttige informatie verzameld, niet alleen voor de Leidse UB en haar gebruikers maar ook voor de andere Nederlandse UBs die voor een groot gedeelte op dezelfde terreinen als Leiden collectioneren. Het is geen plan dat je nu even van bladzijde 1 tot het eind gaat zitten doorlezen, maar om op terug te kunnen vallen een prima geheel. Langdurige bruikbaarheid staat of valt echter met periodieke actualisering en de samenstellers realiseren zich dat natuurlijk zelf ook: ”Omdat de collectievorming afgestemd moet zijn op onderwijs en onderzoek zijn de profielen per definitie onderhevig aan voortdurende verandering. Met name Deel II van het Collectieplan is in die zin een werkdocument, dat permanente bijstelling behoeft.”

‘t Gaat écht gebeuren…

Het staat nu ook op de voorpagina van Library Connect, het informatieblaadje van Elsevier voor de bibliotheeksector: Much more arts & humanities coverage on Scopus is coming. Maar verder biedt het bericht helaas niet meer informatie dan sinds eind november via de Scopus-site zelf wordt gemeld:

In April 2009, arts and humanities (A&H) journals on Scopus are almost doubling. Currently the 16,000 peer-reviewed journals on Scopus contain 1,600 titles in A&H and related fields.

The A&H expansion will mean Scopus offers better representation of more countries and gives researchers enhanced access to international A&H content. Journal subjects to be covered include literature and literary theory (30% of the new titles), general arts and humanities (22%), history (17%) and visual/performing arts (16%), among others.

Adding close to 1,600 journals to Scopus is a real accomplishment, as often a single A&H title is owned by a small publisher. This type of scenario is quite different from that encountered with dealing with STM journals which are often owned by large publishers and available in sizable collections. To get all the A&H content together, Elsevier has had to contact thousands of journal publishers.

Already Scopus is the most comprehensive cross-disciplinary database with the broadest coverage in science, technology, medicine and social sciences. Soon it’ll offer the same breadth for the arts and humanities.

Wel aardig om te zien hoe de grootste speler in de markt de verhoudingen in de geesteswetenschappelijke hoek beschrijft. Maar, nog steeds geen lijst van tijdschriften die toegevoegd gaan worden. En hoe ‘arts & humanities’ zijn die tijdschriften eigenlijk? In de huidige lijst claimt Elsevier er zo’n 1.600 aan te bieden, maar dat kan alleen maar dankzij de toevoeging ‘and related fields’. Zo kan ik het ook.

Maar goed, we blijven de ontwikkelingen bij Scopus volgen. Het beëindigen van de licentie per 1 januari jl. heeft in Amsterdam niet tot veel beroering aanleiding gegeven, maar dat ontslaat ons niet van de verplichting de concurrentie van Web of Science/Knowledge nauwlettend te blijven volgen. Al zal dat waarschijnlijk niet, zoals in Nijmegen nu, tot het besluit leiden Scopus en WoS (en in Nijmegen zelfs voor een periode van drie jaar) weer beide aan te bieden.

Divided We Stand

Toen op 28 oktober van het vorig jaar de overeenkomst bekend werd tussen Google enerzijds en de Association of American Publishers en de Authors Guild anderzijds, was bibliothecaris Robert Darnton van Harvard University de enige van Google’s Amerikaanse bibliotheekpartners die een ongekwalificeerd negatief geluid liet horen: de bepalingen in de overeenkomst waren in veel opzichten zo onduidelijk of zo nadelig dat Harvard niet van plan was naast out-of-copyright ook boeken waarop nog wel copyright berust door Google te laten scannen. En alhoewel dat onder de Amerikaanse wetgeving, ruwweg, alleen maar de boeken gepubliceerd ná 1923 betreft, is het belangrijk te bedenken dat het wel het overgrote deel van de wereldwijde boekproduktie betreft. Van de circa 7 miljoen boeken die Google tot nu toe gescand heeft is 6 miljoen ná 1923 gepubliceerd!

In de laatste aflevering van de New York Review of Books heeft Darnton zijn bezwaren tegen de overeenkomst verder uitgewerkt en in een breder, m.n. historisch, perspectief geplaatst. Waar hij met name bang voor is, is het de facto monopolie dat Google door deze overeenkomst verkrijgt omdat in één klap alle auteursrechtelijke kwesties opgelost zijn. Weliswaar tegen betaling van een fiks bedrag, maar ieder ander bedrijf dat dezelfde intenties als Google zou hebben zou dezelfde juridische strijd als Google opnieuw aan moeten gaan. En welk bedrijf is daartoe in staat? Microsoft heeft de handdoek al in de ring gegooid…

Tevens maakt Darnton zich weinig illusies over de hoogte van de vergoedingen die instellingen als universiteitsbibliotheken zullen moeten gaan betalen om onbeperkt toegang te krijgen tot de Google Books database (in feite geen universal digital library meer, maar een universal digital bookstore). Iedereen wil dat natuurlijk en de kosten zullen in het begin wellicht zelfs heel redelijk zijn. “Google’s record suggests that it will not abuse its double-barreled fiscal-legal power. But what will happen if its current leaders sell the company or retire?”

Op het andere eind van het spectrum bevindt zich Michael Keller, Darntons collega van Stanford University, ook een van de eerste partners van Google in het digitaliseringsprogramma. In de laatste aflevering van College & Research Libraries (januari 2009; vreemd genoeg wel al bij ons in de bibliotheek anwezig aanwezig, maar nog niet op de ACRL-website) houdt hij een warm pleidooi voor de overeenkomst. Kern daarvan vormt de overweging dat inmiddels een ongekende hoeveelheid boeken die tot nu toe tot de boekenplank veroordeeld waren digitaal beschikbaar, doorzoekbaar en in veel gevallen ook direct raadpleegbaar zijn geworden. Keller onderkent ook zeker dat er nog veel onduidelijk is m.b.t. de overeenkomst, dat er beperkingen zijn en dat de scankwaliteit van Google soms te wensen over laat. Maar die bezwaren wegen zijns inziens niet op tegen de voordelen die Google Books en de overeenkomst met auteurs en uitgevers nu bieden voor Amerikaanse bibliotheken.

Rooie oortjes

Ik geef het onmiddellijk toe: ik heb een zwak voor studies waarin de verschillen in wetenschapsbeoefening en publicatiecultuur van alfa’s, bèta’s en gamma’s, en de consequenties die die verschillen voor de rol van de bibliotheek in hun informatiehuishouding hebben, breed uitgemeten worden. Of het nu gaat om boeken, zoals recent Christine Borgmans Scholarship in the Digital Age. Information, Infrastructure, and the Internet (MIT Press,  2007), of artikelen, zoals ‘User diversity: as demonstrated by deep log analysis‘ van David Nicholas en collega’s uit 2008, of rapporten. Een voorbeeld van die laatste categorie is Scholarly Information Practices in the Online Environment. Themes from the Literature and Implications for Library Service Development dat afgelopen week verscheen. Ik heb er al met rooie oortjes in zitten bladeren, af en toe een stukje lezend, en ik kom zeker nog een keer op dit rapport terug.

Maar waarom die voorliefde? Ik denk dat het hier aan ligt. Ik ben sociale wetenschapper van origine (politicoloog, om precies te zijn); het is de omgeving waarin de eerste 15 jaar van mijn academische loopbaan heb doorgebracht. De afgelopen jaren ben ik vooral in, misschien nog wel beter: voor, de geesteswetenschappen in Amsterdam werkzaam geweest. En in een bibliotheekomgeving waarin in diezelfde tien jaar veel verandering is gerealiseerd, en vaak ook geëntameerd, vanuit de STM- of bèta-hoek. Denk maar aan de zegetocht van elektronische tijdschriften, internet in het algemeen en de laatste jaren Open Access. Het heeft me in ieder geval bewust gemaakt van die soms fundamentele verschillen tussen, ruwweg, alfa’s, bèta’s en gamma’s.

Nu bestaat zeker in een centrale universiteitsbibliotheek de neiging vooral te willen streven naar generieke, voor alle disciplines toepasbare en werkbare oplossingen en toepassingen. Het wordt met zoveel woorden ook in ons nieuwe Informatiebeleidsplan gezegd: “De UBA zal de digitale dienstverlening primair blijven richten op generieke diensten.” Maar toch, dergelijke generieke toepassingen staan vaak op gespannen voet met de wensen, soms ook vereisten, die afzonderlijke disciplines aan hun informatiehuishouding stellen. En dus hebben we naast onze Digitale Bibliotheek (met hoofdletters) nog twee andere digitale bibliotheken, die van de Medische Bibliotheek (veilig achter de firewall van het AMC) en die van de Juridische Bibliotheek. MetaLib biedt voor hen te weinig meerwaarde. De eerlijkheid gebiedt echter ook te zeggen dat in datzelfde Informatiebeleidsplan bovenstaande uitspraak onmiddellijk gevolgd wordt door “maar zal die in toenemende mate zó inrichten dat faculteitsbibliotheken, onderzoeksgroepen of externe partijen, erop kunnen aansluiten en er gebruik van kunnen maken, bijvoorbeeld voor het inrichten van disciplinespecifieke of (inter-)nationale diensten.” Nog altijd makkelijker gezegd dan gedaan, maar ook een onderkenning van het one size does not fit all.

Overigens, met dit soort indelingen in alfa, bèta en gamma moet je nog voorzichtig zijn ook, zeker als je de grens over gaat. Toen ik vorige maand in België was merkte ik dat dit voor ons zo duidelijke onderscheid, daar op een geheel andere manier wordt gehanteerd. In Gent ziet de onderverdeling in alfa, bèta en gamma er namelijk alsvolgt uit:

  • Alfa wetenschappen: Letteren en Wijsbegeerte, Rechtsgeleerdheid, Economie en Bedrijfskunde, Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Politieke en Sociale Wetenschappen
  • Bèta wetenschappen : Wetenschappen, Ingenieurswetenschappen, Bio-ingenieurswetenschappen
  • Gamma wetenschappen : Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, Diergeneeskunde en Farmaceutische wetenschappen

Can we change?

De Wordle, het blijft een prachtige manier om belangrijke woorden uit een tekst te visualiseren. Eergisteren was het Obama-dag en deze Wordle is van zijn inaugurele speech:

Obama Inauguration Speech

Opvallend? Geen change, geen (yes, we) can. De verkiezingstijd is voorbij, het is tijd voor de staatsman Obama.

Met dank aan de UK eInformation Group Web 2.0

Codex in Crisis

Vandaag spreekt Princeton hoogleraar Anthony Grafton in Leiden ter gelegenheid van de herdenking van de 400ste sterfdag van Josephus Scaliger, de Franse humanist aan wie de Bijzondere Collecties van de UB Leiden zoveel te danken hebben en naar wie dan ook het Leidse boekhistorisch onderzoeksinstituut Scaliger is vernoemd.

Grafton publiceerde ruim een jaar geleden een veel aandacht trekkend artikel in The New Yorker over de consequenties van de digitalisering van boeken (lees: Google Books) voor de gedrukte codex. Hij bewerkte die bijdrage later tot een bibliofiel uitgegeven boekje met de titel Codex in Crisis (inmiddels al weer aan een tweede editie toe). Grafton kan beschouwd worden als een vertegenwoordiger van de “books and electronic resources will complement each other, not compete” visie, en dat doet hij op zeer leesbare en gefundeerde manier. Het is dan ook de vraag of de titel hier wel de lading dekt. Volgens Grafton is “for now and for the foreseeable future” het boek toch vooral een blijvertje. Hoezo crisis?

Navelstaren

Twee recente initiatieven maken nog eens duidelijk wat ik vorig jaar, tijdens mijn verslagen van de Digital Humanities-conferentie in Oulu, ook al constateerde: digital humanists zijn druk op zoek naar wat hen bindt en verbindt en naar wat hen onderscheidt van die andere, meer traditionele geesteswetenschappers.

Het ene initiatief is het Digital Humanities Manifesto, opgesteld door een aantal medewerkers van het Center for Digital Humanities van UCLA. Het manifest maakt gebruik van de CommentPress-blogsoftware ontwikkeld door het Institute for the Future of the Book. Daardoor is het mogelijk in een langere blogtekst per paragraaf commentaar toe te voegen, en daar wordt al intensief van gebruik gemaakt.

Het andere initiatief is A Day in the Life of the Digital Humanities, woensdag 18 maart, een dag waarop wereldwijd digital humanists gaan documenteren “Just what do computing humanists really do” op een reguliere werkdag. Zij zullen dat ieder in de vorm van een soort dagboek gaan doen, daar beeldmateriaal aan toe voegen en alle dagboeken gezamenlijk zullen (uiteraard) online gepubliceerd en van commentaar voorzien worden. Het resultaat zal enerzijds kunnen dienen als bron voor nadere studie en anderzijds bij kunnen dragen aan “what it means to self-identify as a digital humanist.” Aanmelden voor deelname aan ADLDH kan nog tot 30 januari.

Één groot netwerk

Mooi, hoe de dingen soms bijelkaar komen. Berichtte ik enkele dagen geleden over de Mellon Award die niet alleen aan John Bradley’s Pliny maar ook aan Villanova’s VuFind was toegekend, nu blijkt de HathiTrust (de 94 TeraByte gepasseerd en hard op weg naar de 100 TB) VuFind te gaan gebruiken als temporary public beta zoekinterface die binnenkort beschikbaar moet komen. Voor de langere termijn, vanaf 2010, is echter voorlopig de keuze op WorldCat Local van OCLC gevallen. Dat zal wel te maken hebben met het feit dat de gezamenlijke bibliotheken van de University of California, een van de steunpilaren onder de HathiTrust, al eerder voor WorldCat Local gekozen hebben. Maar het is toch goed dat met VuFind, tussen al het geweld van commerciële toepassingen als Primo en Endeca, een open source produkt mee strijdt om de aandacht van de grote bibliotheken.

Ook aardig: via CommonCraft werd ik geattendeerd op een video-animatie over de geschiedenis van het Internet. Ik heb een zwak voor de animaties van CommonCraft zelf, maar ook deze van PICOL is erg fraai. En deze keer nu eens niet zo US-centered, maar met ruime aandacht voor de rol van Engeland en Frankrijk in de ontwikkeling van het Internet. Er ligt dan ook een Duitse publicatie aan ten grondslag…

En nog zo’n favoriet: de 7 Things You Should Know About van EDUCAUSE; de laatste gaat over alternate reality games. Ons eigen SURF is nu met een Nederlandse serie 7 Dingen die je moet weten over begonnen, deze maand met een aflevering over LinkedIn.

Sober maar duurzaam

Vanmiddag naar de jaarlijkse Nieuwjaarsbijeenkomst van de Faculteit der Geesteswetenschappen, die altijd in de vorm van een high tea is gegoten inclusief de mogelijkheid de eigen kinderen mee te nemen. De bijeenkomst vindt dan ook niet plaats in een of andere suf zaaltje of kantine-met-slechte-akoustiek, maar de afgelopen jaren steeds in NEMO en dit jaar voor het eerst in Artis. Elk jaar zijn het gewoon leuke bijeenkomsten.

Traditie is uiteraard de nieuwjaarstoespraak van de decaan, deze keer voor het eerst door José van Dijck. Vol trots memoreerde ze de belangrijke wapenfeiten van het afgelopen jaar: weer meer eerstejaars studenten (de faculteit is nog nooit zo groot geweest), voor de derde achtereenvolgende keer een FGw-docent die verkozen wordt tot Docent van het Jaar, de Spinozapremie voor Joep Leerssen, 47 promoties en een rijke oogst aan NWO-subsidies. Uiteraard sprak ze de hoop uit dat 2009 soortgelijke successen zal brengen, maar ze moest wel enige waarschuwende woorden spreken. De faculteit wordt namelijk geconfronteerd met een bezuiniging van ongeveer € 3 miljoen die alleen met heel veel moeite gerealiseerd zal kunnen worden. Aan de andere kant biedt echter het rapport van de commissie Cohen, Duurzame geesteswetenschappen, volgens José voldoende perspectief om het komende jaar toch met vertrouwen tegemoet te zien, onder het motto ’sober maar duurzaam’.

En voor wie al die successen uit 2008 nog eens rustig wilde nalezen lag, zoals de afgelopen jaren steeds, het facultaire jaaroverzicht 2008 in gedrukte vorm al klaar. Dat doen ze toch prima, hoor, bij de faculteit. Wij hebben bij de bibliotheek de ambitie om dit jaar ons jaarverslag al in april te presenteren, en dat blijkt nog een hele kluif te zijn.

Volgende Pagina »