Archief voor oktober 2008 | Maandelijkse archief pagina
Feestje … en Aleph
Aan het eind van de middag naar de Oudemanhuispoort voor een receptie ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van collega-faculteitsbibliothecaris Mieke Vermeulen. Namens haar collega’s kon ik haar een mooie broche/speld aanbieden van Laloli en (uiteraard) een boekenbon. Tijdens de onvermijdelijke toespraak van haar baas, Peter Kwantes, bleek dat Mieke en ik nog meer generatiegenoten waren dan ik al wist. Op 1 oktober 1983 was zij in dienst getreden bij de bibliotheek van het toenmalige Seminarium voor Volkenrecht van de UvA. Een maand later begon ik mijn ‘carrière’ bij de UvA als medewerker bij de vakgroep Internationale Betrekkingen en Volkenrecht. Mijn eerste kennismaking met en herinnering aan Mieke dateert dan ook uit die tijd, toen ik als onderzoeker vaak gebruik maakte van de collectie van het Seminarium en van tijd tot tijd daar ook de hulp van Mieke bij inriep.
Tijdens de receptie veel met collega’s over het Aleph-project gesproken. We zijn nu bijna een maand bezig met het implementatietraject en de komende weken worden erg druk. Morgen en zaterdag (!) begint het met een MARC21-cursus voor een grote groep catalogiseerders. Daarna volgen vanaf volgende week dinsdag in rap tempo een groot aantal trainingen door Ex Libris in de ins en outs van het Aleph-systeem. Op basis van deze trainingen zullen we in de daaropvolgende weken een groot aantal belangrijke keuzes moeten maken m.b.t. de inrichting van het systeem, de wijze van catalogisering en de link met het landelijke GGC-systeem. Ik ben de afgelopen dagen als trekker van het Team Training (dat vooralsnog alleen uit Mieke en mijzelf bestaat) druk bezig geweest met de organisatie van deze trainingen. So far so good. Omdat ik binnenkort ook toetreed tot de stuurgroep voor dit project zou ik volgens de onvolprezen Prince2 methodiek mijn taak als trekker eigenlijk op moeten geven. Vooralsnog hebben we maar besloten dat dat niet noodzakelijk is; soms moet je om hele praktische redenen maar wat minder zuiver in de leer zijn.
NB. Tien dagen na de Universiteitsbibliotheek heeft nu ook Ex Libris de keuze van de UvA en HvA (University of Applied Sciences, het blijft een wat curieuze vertaling) voor Aleph in een persbericht bekend gemaakt; 2.250 instellingen wereldwijd gingen ons blijkens dat bericht voor in deze keuze.
De kelders van Technorati
Collega Laika van de Medische Bibliotheek is boos. Zo boos dat ze al twee dagen op haar blog te hoop loopt tegen Technorati, een van de meest geraadpleegde rankinginstrumenten voor weblogs. De reden van haar boosheid? Van de ene dag op de andere is haar Technorati Authority (“the number of blogs linking to a website in the last six months“) gedaald van 46 naar 5. Inmiddels lijkt wel duidelijk te zijn wat de reden voor die drastische teruggang is, een door Technorati zelf ondernomen opruimactie onder zgn. spam blogs die het Authority-mechanisme misbruikten, maar leuk is natuurlijk anders als zoiets onaangekondigd plaatsvindt en zulke ingrijpende effecten heeft.
Zelf ben ik door deze actie in Technorati Authority teruggelopen van 11 naar 9. Dat is natuurlijk ook niet leuk, maar of nu ruim 450.000 blogs of, zoals nu, 675.000 blogs mij scheiden van de eerste plaats in deze ranking maakt natuurlijk niet echt uit. Een plaatsje in de kelder is ook heel gezellig. En het gaat me ook een beetje te ver, zoals Laika het formuleert, om deze Technorati Authority te vergelijken met citatiescores in de wetenschap: “So, it works similar to the citation score (i.e. H-index) for “real” authors (of peer reviewed scientific papers). The more you are linked by different bloggers, the more “important” your blog is considered.” Is het niet eerder een kwestie van populariteit dan van belangrijkheid? Of is dat typisch een reactie van iemand uit de hoek van de geesteswetenschappen?
Hoe dan ook, van een Technorati Authority van 128, die Lorcan Dempsey’s veelgeprezen blog weet te scoren, of de 76 van Edwins ZB Digitaal kunnen wij eenvoudige ploeteraars slechts dromen. En daar zouden we het eigenlijk ook niet om moeten doen.
Scripties Online
Even de huidige stand van zaken m.b.t. Scripties Online bekeken. Niet omdat dat nu zo’n ontzettend innovatieve, nieuwe dienst is, maar omdat het toch redelijk langdurig overleg heeft gekost met de faculteit der Geesteswetenschappen voordat we deze stap konden maken. Bij andere faculteiten is dat veel sneller gegaan (maar in een enkel geval ook nog niet; geesteswetenschappen loopt niet helemaal achteraan). Afgesproken is dat alle masterscripties voortaan niet meer in papieren vorm in de bibliotheek beschikbaar worden gesteld, maar digitaal worden gearchiveerd en, met toestemming van de auteur, openbaar worden gemaakt voor raadpleging via het web. Vervolgens was het natuurlijk ook noodzakelijk een zodanig workflow af te spreken dat de scripties zo snel als mogelijk beschikbaar komen. Op dat vlak kunnen we nog wel wat winst boeken, maar de eerste resultaten zijn er nu inmiddels wel.
In de afgelopen maanden zijn 146 scripties aangeboden voor opname in Scripties Online. Een aanzienlijk gedeelte daarvan, nl. 31, zit vooralsnog achter slot en grendel en is dus niet zichtbaar voor de buitenwereld (maar bijvoorbeeld wel door de faculteit te gebruiken voor onderwijsvisitaties). Een veel kleiner percentage (10%) zit één jaar achter slot en grendel, bijvoorbeeld omdat de desbetreffende student nog bezig is met een publicatie die voortvloeit uit zijn scriptie. Deze scripties zijn al wel zichtbaar in Scripties Online met vermelding van de datum waarop de full text ook beschikbaar komt. 101 Masterscripties uit 2008 zijn op dit moment al wel publiek toegankelijk, mooi verdeeld over een breed palet van facultaire masteropleidingen: van Italiaanse taal en cultuur tot Preservation and presentation of the moving image, van archiefwetenschap tot wijsbegeerte. Het begin is er dus; nu ervoor zorgen dat de stroom gestaag blijft toenemen. Met een instroom van ruim 700 masterstudenten in 2007 (bijna 15% meer dan het jaar ervoor; cijfers voor 2008 zijn helaas nog niet bekend) moet dat gaan lukken.
10 is ook een mooi getal
Het feestje over de honderdste Nederlandse biblioblogger ligt al weer twee weken achter ons. Een mooie mijlpaal. Maar wat te denken van de tiende voormalige UBA-SPOETNIK blogger? Die kunnen we namelijk sinds dit weekend ook begroeten. De afronding van het SPOETNIK-programma ligt inmiddels al weer een klein half jaar achter ons. Honderddrieëndertig bibliotheekmedewerkers van de UvA sloegen dit voorjaar aan het bloggen. En al vormde het niet de essentie van het programma, het was natuurlijk wel aardig om te volgen hoe het met dat bloggen na afloop van het programma zou gaan.
Ruim een maand geleden kon met enig vertrouwen geconstateerd worden dat er zeven levensvatbare blogs uit SPOETNIK waren voortgekomen, deels gericht op bibliotheekmedewerkers, deels gericht op de eigen facultaire achterban. Daar zijn er inmiddels nog drie bijgekomen: George Meerburg (FNWI) heeft zijn blog nieuw leven ingeblazen; hetzelfde geldt voor Lukas Koster (Elektronische Diensten) en sinds afgelopen zaterdag is Robin van Schijndel (UB/Publieksdiensten) gestart met een in eerste instantie aan de EDUCAUSE-conferentie gewijde blog.
Dat maakt tien heuze UBA-blogs. Of het allemaal echte blijverdjes zijn, zal de toekomst natuurlijk nog uit moeten wijzen. Maar we hebben gelukkig altijd nog een elfde achter de hand, nl. Driek Heesakkers’ Library Spring (maar die dateert wel uit het pre-SPOETNIK tijdperk). In ieder geval voldoende stof voor discussie tijdens het vervolg-symposium over ’sinds SPOETNIK’ eind volgende maand, onze eigen bibliotheek 2.0-happening.
Zielig
Uiteraard wel, maar dat neemt niet weg dat ook in de geesteswetenschappen steeds intensiever gezocht wordt naar meetinstrumenten met het oog op de kwalitatieve beoordeling van onderzoek, onderzoekers en onderzoeksgroepen (want ook die heb je steeds meer in de geesteswetenschappen). En dus is er in de afgelopen jaren onder auspiciën van de European Science Foundation gewerkt aan de totstandkoming van een European Reference Index for the Humanities (ERIH). Eerste stap in dat proces vormde de opstelling van 15 tijdschriftenlijsten, één voor elke subdiscipline van de geesteswetenschappen, waarbij de tijdschriften werden opgedeeld in categorie A (“high-ranking international publications with a very strong reputation among researchers of the field in different countries, regularly cited all over the world”), categorie B (“standard international publications with a good reputation among researchers of the field in different countries”) en categorie C (“research journals with an important local / regional significance in Europe, occasionally cited outside the publishing country though their main target group is the domestic academic community”).
Dat opstellen van die lijsten gebeurt niet zonder protesten. Eerder deze maand tekenden de redacties van 45 tijdschriften op het gebied van de wetenschapsgeschiedenis, en zeker niet de minste, hun bezwaren aan tegen deze lijstjesmakerij en de achterliggende gedachten. Ze formuleren hun bezwaren aldus:
“No indication is given of the means through which the list was compiled; nor how it might be maintained in the future. The ERIH depends on a fundamental misunderstanding of conduct and publication of research in our field, and in the humanities in general. Journals’ quality cannot be separated from their contents and their review processes. Great research may be published anywhere and in any language. Truly ground-breaking work may be more likely to appear from marginal, dissident or unexpected sources, rather than from a well-established and entrenched mainstream. Our journals are various, heterogeneous and distinct. Some are aimed at a broad, general and international readership, others are more specialized in their content and implied audience. Their scope and readership say nothing about the quality of their intellectual content. The ERIH, on the other hand, confuses internationality with quality in a way that is particularly prejudicial to specialist and non-English language journals.” (Humanist Discussion Group, Vol. 22, No. 279; zie ook het artikel in Times Higher Education)
Koudwatervrees? Of is hier toch meer aan de hand? De ESF heeft in ieder geval in de afgelopen jaren wel geleerd van eerdere protestacties. Op de pagina waar de voorlopige lijsten per subdiscipline staan, dekt men zich bij voorbaat al aldus in:
“As they stand, the lists are not a bibliometric tool for the evaluation of individual researchers. The distinction between the categories A, B and C is to be understood as being not primarily qualitative and the categorisation is determined by issues such as scope and audience as explained in the ERIH Guidelines. Thus, such categorizations of journals do not prejudge the scientific quality of individual articles that appear in those journals.
The ERIH Steering Committee and the Expert Panels advise against using the lists as a basis for assessments of individual candidates, be it for positions, promotions, research grant awards etc.”
Vakantiepost
Het is herfstvakantie, dus het bloggen staat even op een wat lager pitje. Tijd om even wat aanvullingen op recente posts te geven:
1) Faculty liaison: zie voor een actuele stand van zaken in de Verenigde Staten, de bakermat van de faculty liaison, SPEC Kit nr. 301 van de Association of Research Libraries over Liaison Services. In Nederland gelukkig bij de UvA te raadplegen.
2) Open Access Day: “Open Access Tag voller Erfolg”, maar slechts één deelnemende instelling in Duitsland en “Bei den niederländischen Kollegen sieht es aber nicht besser aus, obwohl man dort Stattliches vorzuweisen hat: http://zeemanspraat.wordpress.com/2008/10/14/open-access-day-2/
3) Delftse inzichten: Wouter Gerritsma attendeerde me op nog een gebruikersonderzoek uit 2008 van onze collega’s van de UB van de Vrije Universiteit. Wat willen wetenschappelijk medewerkers als ze directeur van de UB zouden zijn:
Het meest gegeven antwoord op de vraag wat men zou doen als men directeur van de universiteitsbibliotheek was, was dat men meer de collectie digitaal zou aanbieden. (m.n. e-journals, scan service, data sets, etc). Dit wordt op afstand gevolgd door het antwoord: “Meer collectie op papier in open opstelling zetten” (mensen willen grasduinen, ideeën opdoen, en liever geen aanvragen doen uit het magazijn).
Dat komt aardig overeen met onze eigen bevindingen.
4) Scopus vs. WoS (5): ons onderzoek en onze besluitvorming hebben in den lande de nodige aandacht getrokken bij collega-bibliotheken. Ik heb inmiddels flink wat verzoeken ontvangen om toezending van het onderzoeksrapport en ook Informatie Professional vond het bericht belangrijk genoeg om het op te nemen in de Nieuws-sectie. Van onderzoekers zelf hebben we tot nu toe weinig vernomen, terwijl er toch zeker een categorie is die door dit besluit negatief getroffen wordt. We hebben nu in de Scopus-website een boodschap op laten nemen met de mededeling dat het bestand vanaf 1 januari 2009 niet meer toegankelijk is plus een link naar ons nieuwsbericht hierover. Kijken wat dit voor reacties gaat opleveren.
Faculty liaison (poll!)
In het Leidse Mare-artikel waar ik al eerder over berichtte beargumenteert een van de tegenstandsters van de concentratie van de Letteren-bibliotheken haar oppositie daartegen aldus: “Onbegrijpelijk dat deze kleinschaligheid blijkbaar niet gewenst is’, zegt Annemiek Ouwerkerk, hoofd van de bibliotheken kunstgeschiedenis en geschiedenis. ‘Overal komt men daar juist op terug. De UB is op het moment druk bezig de relatie tussen de bibliotheek en onderwijs en onderzoek te verbeteren met de zogeheten “faculty liaison”: een prima streven, maar dat hebben wij hebben hier al.” Die faculty liaison is inderdaad een van de nieuwe speerpunten van de Leidse UB, beargumenteerd in het nieuwe beleidsplan (“van essentieel belang“) en gedocumenteerd in het laatste jaarverslag (een dubbelklapper voor de jaren 2006-2007).
Faculty liaison, niet alleen de Leidse bibliotheek is er druk mee bezig. Ook bijvoorbeeld in Amsterdam en Groningen is er al enige tijd (her)nieuw(d)e aandacht voor het op structurele wijze onderhouden van contacten tussen bibliotheek en haar doelgroepen, vooral (maar niet uitsluitend) met de wetenschappelijke staf. Dubbele doelstelling is daarbij om enerzijds de staf goed op de hoogte te houden en te informeren over alle diensten van de bibliotheek en de dienstverlening waarop medewerkers een beroep kunnen doen in onderwijs en onderzoek; anderzijds de bibliotheek scherp te houden ten aanzien van de wensen die er onder de staf leven met betrekking tot de bibliothecaire dienstverlening en de wetenschappelijke informatievoorziening. En dat kan variëren van aanschafsuggesties tot het gezamenlijk ontwikkelen van games voor informatievaardigheden.
De vakreferent (aka de informatiespecialist) speelt bij de faculty liaison de rol van linking pin. En in Eindhoven heeft dat inmiddels al geleid tot de introductie van de nieuwe functiebenaming faculty liaison manager. Niet overigens geheel naar tevredenheid van alle direct betrokkenen, die toch liever de voorkeur geven aan hun oude functienaam. Ik kan me herinneren dat een dergelijke discussie al eerder speelde toen Bas Savenije, ik geloof een jaar of vier geleden tijdens een OCN, met account manager kwam aanzetten. Ook die hebben we inmiddels in de universitaire bibliotheekwereld, bijvoorbeeld in Delft.
WordPress heeft sinds deze week een nieuwe feature, de mogelijk een poll op te nemen in je post. Tot nu toe moest dat allemaal met kunst-en-vliegwerk, maar laat ik dit nu eens even snel uitproberen:
Mijn antwoord zal duidelijk zijn…
80.000.000.000.000 bytes
“There’s an elephant in the library”. Dit motto siert de website van de HathiTrust en was voor mij hét nieuws van de week. De twaalf universiteitsbibliotheken verenigd in het Committee on Institutional Cooperation, de elf campusbibliotheken van de University of California en de UB van Virginia (die andere UVA), allen partners in het Google Book Search programma, zijn overeengekomen gezamenlijk een digitaal archief in te richten voor al hun gedigitaliseerde materiaal, inclusief het door Google gedigitaliseerde deel. Op dit moment betreft dat ruim 2.1 miljoen boeken (waarvan 338.000 in het publieke domein), gezamenlijk goed voor 80 terabyte, oftwel 80.000.000.000.000 bytes.
“Google won’t be around forever,” said John P. Wilkin, an associate university librarian for the University of Michigan at Ann Arbor and executive director of HathiTrust. “This is a commitment to the permanence of the materials,” he said, noting that libraries have been around longer than any technology company has. “We’ve been doing this for a couple of hundred years, and we intend to continue doing it.”
Op zich is dit een prima initiatief dat tegemoet komt aan een van de belangrijkste bezwaren die tot nu toe tegen Google Book Search zijn geformuleerd: kunnen we er wel tot in lengte van jaren zeker van zijn dat we toegang houden tot al die gedigitaliseerde boeken? Wat als Google interesse verliest in dit project of, deze weken al wat minder ondenkbaar dan een paar jaren geleden, wat als Google aan haar eigen ambities ten onder gaat? Prima dus, maar zoals altijd, there’s a catch: weliswaar is er nu één gezamenlijk archief in stand gehouden door bibliotheken (en dus betrouwbaar !?!), maar de toegang tot de afzonderlijke boeken in dat ene archief wordt nog steeds gereguleerd door de afspraken die Google met de afzonderlijke universiteiten heeft gemaakt. Dus boeken uit de collectie van de University of Michagan zijn, ook al zitten ze nu in het gezamenlijke digitale archief, zijn nog steeds alleen maar beschikbaar binnen het University of Michigan-domein. En ook dat verdo-e-mde copyright is nog steeds van toepassing, en dus is er ook via de HathiTrust alleen toegang tot publicaties gepubliceerd voor 1923. En dat betreft vooralsnog ’slechts’ 16% van het gearchiveerde materiaal.
Dat laatste kan niet genoeg benadrukt worden, ook of misschien wel juist tegenover bezuinigingsbeluste managers en bestuurders. “Alles wordt toch gedigitaliseerd? Wat zeuren jullie toch”. Inderdaad, er wordt veel gedigitaliseerd, en er kan niet genoeg gedigitaliseerd worden. Maar digitalisering staat nog steeds niet gelijk aan publieke toegankelijkheid, zoals Clifford Lynch onlangs in een nieuwe MIT-publicatie over open education nog eens extra benadrukte:
The Limitation of Digitized Libraries
Google’s program to digitize major university libraries at institutions such as Stanford, the University of Michigan, and Oxford has received a great deal of publicity and inspired a great amount of excitement. What is not as broadly understood as it should be is that because of copyright constraints, only the public domain works from these libraries (to a first approximation, those published before 1923) will be available for reading in the foreseeable future. For almost everything else, the user will at best be able to see a couple of sentences (a “snippet”) in response to a search, and then follow links to perhaps purchase a copy of the book or borrow a physical copy from a library (most likely through interlibrary loan).
In both cases, this is almost completely useless in most open education settings, particularly outside the United States. So the digitization of these great research libraries will not, as many assume, make the majority of their contents widely and openly available. There are many other digitization programs underway, such as the work of the Open Content Alliance, but they, too, will be able to offer access to only older, outof-copyright works, or to limited collections of in-copyright works that are being made available online with the specifi c permission of the rights holder (for example, some university press publications, particularly out-of-print ones).
So, while a vast amount of historically interesting source material is going to be available, most monographic scholarship and most textbooks from the last three quarters of the last century will not be publicly available. Huge swaths of the primary documentary evidence of the twentieth century—audio and visual, as well as textual materials—are locked up by copyright and often inaccessible even to students and researchers at our leading universities through their research libraries, as well as to the broader public seeking information on the Web.
Onder collega’s
Vanmorgen met de trein naar Den Haag, naar de KB, voor de halfjaarlijkse bijeenkomst van de UKB-werkgroep Collectiemanagement. De laatste bijeenkomst onder leiding van RUG-bibliothecaris Alex Klugkist; aan het UKB-bestuur is gevraagd een opvolger te benoemen, maar dat is nog niet gebeurd. Alex heeft het ongeveer een jaar of vijf gedaan, en altijd naar ieders tevredenheid. Een prima voorzitter die met onderkoeld commentaar of een kwinkslag het vergaderen zelf in een uiterst plezierige sfeer laat verlopen.
Gebruikscijfers en wat je daar wel en niet mee kunt stonden vandaag hoog op de agenda. Peter van Laarhoven van de UB Groningen presenteerde met verve, het is tenslotte een van zijn favoriete bezigheden, wat daar de afgelopen jaren in Groningen aan is gedaan. Iedere UB worstelt met het verzamelen van deze statistische gegevens (soms op zich al een flinke kluif) en vervolgens met de vaak moeizame interpretatie er van. Initiatieven als COUNTER hebben wel voor verbetering gezorgd, en er zijn bijna geen grote uitgeverijen meer die geen gegevens beschikbaar stellen maar dat betekent nog niet dat die interpretatie veel makkelijker is geworden. Is een klik altijd een klik, een download altijd een download en, misschien nog belangrijker, wie is degene die een artikel download? Het werd opnieuw duidelijk dat iedereen bij zijn eigen instelling hiermee wel bezig is, maar dat de intensiteit waarmee het gebeurt toch ook aanzienlijk verschilt. De discussie was in ieder geval geanimeerd genoeg om dit onderwerp een keer apart te agenderen voor een studiemiddag o.i.d.
De KB greep haar gastvrouwschap aan om een van de vele nieuwe projecten te agenderen, het project Webarchivering. Projectleidster Caroline van Wijk presenteerde de achtergronden, keuzes en belangrijkste resultaten die in januari 2009 ook zichtbaar moeten worden voor het publiek. Uitgaande van de nationale taak van de KB en het collectieprofiel dat is gericht op de Nederlands taal, cultuur en geschiedenis zijn er inmiddels ca. 1.800 Nederlandse websites geselecteerd die periodiek (2 à 4 keer per jaar) duurzaam gearchiveerd zullen worden ‘voor de eeuwigheid’. Maximaal kunnen dat 3.000 websites worden, en daarmee zijn de pretenties van dit project aanzienlijk bescheidener dan die van het Internet Archive, dat het hele internet poogt te archiveren. Het blijft overigens een plezier om via de Wayback Machine de gearchiveerde versies van, bijvoorbeeld, onze eigen bibliotheek-homepage terug te zien. Er zijn uiteraard ook Nederland al voorbeelden van webarchivering, zoals Archipol met de websites van de Nederlandse politieke partijen, maar wat de KB zich nu voorgenomen heeft is zeker in de Nederlandse verhoudingen toch van een andere orde. Maar we moeten dus nog even geduld hebben.
Na afloop van de vergadering niet meer gebleven om de rondleiding in de Leeszaal van Nederland en De Verdieping van Nederland mee te maken. In Amsterdam moesten er nog de nodige probleempjes (sorry, uitdagingen) rond de organisatie van de eerste Aleph-trainingen opgelost worden. Dat is jammergenoeg nog niet helemaal gelukt. Morgen dus daarmee weer verder.
So you wanna be a blogstar?
WoWter meldde een aantal dagen geleden de honderdste (actieve) Nederlandstalige biblioblogger. Een respectabel aantal, zeker ook als je het afzet tegen de (hoogstwaarschijnlijk) meer dan 1.000 in het Angelsaksische taalgebied. Walt Crawford houdt dat al langere tijd goed in de peiling. Vraag is natuurlijk of dat allemaal blijvertjes zijn (en dat geldt uiteraard ook voor Een beetje adjunct) en of er voor al die blogs wel een publiek is. Hoe verover je je eigen plaats bij het lezerspubliek, hoe vind je je eigen niche?
ACRLog geeft daarvoor drie adviezen: 1) geef je blog een eigen focus, en probeer die focus niet te breed te laten zijn. Alhoewel het wat al te ver gaat “to figure out what no one else is writing about and to capture the market on that topic”, is originaliteit inderdaad belangrijk; 2) zorg ervoor dat je regelmatig, minimaal een keer per week, een nieuwe post kunt plaatsen; en 3) laat weten dat je er bent, kortom promoot je blog. Lijkt me allemaal prima advies, al deel ik ook een beetje de overweging van de auteur, Steven Bell, “I sometimes question how sustainable all of this librarian blogging is, and whether we’ll still be doing this five years from now. Perhaps it will last as long as we have a good topic, something to say about it and a need for conversation with our colleagues.”
Kan WoWter daar misschien op basis van zijn verzamelde reacties op zijn oproep aan de Nederlandse bibliobloggers nog iets over zeggen? Hoe kijken wij zelf tegen de toekomst van het (biblio-)bloggen in Nederland aan?
Laat een reactie achter
Reacties (4)
Laat een reactie achter
RSS - Posts