Citeren geanalyseerd

Is het citeergedrag van Nederlandse sociale en geesteswetenschappers in de afgelopen twintig jaar onder invloed van het sterk gegroeide aanbod aan elektronische tijdschriften en een schraler aanbod aan boeken veranderd? Dat is de vraag waarop Marta Adsarias Rivero in haar masterscriptie Het belang van boeken in digitale tijden een antwoord probeert te geven. Voor vier disciplines heeft zij, op basis van uit het Web of Science geselecteerde artikelen, het aantal citaties per artikel, de gemiddelde leeftijd van die citaties en het aandeel tijdschriftcitaties per artikel geanalyseerd.

Uit haar bevindingen:

  • in sommige disciplines is het aantal citaties per artikel in de afgelopen 20 jaar sterk gestegen, maar algemeen geldende uitspraken zijn daar niet uit te destilleren
  • in alle onderzochte disciplines is de gemiddelde ‘citaatleeftijd’ in de afgelopen 20 jaar gestegen, een fenomeen dat alleen op het conto komt van boekcitaties (en niet bijvoorbeeld van het beschikbaar komen van digitale tijdschriftarchieven)
  • alleen bij experimentele psychologie is er sprake van proportioneel meer tijdschriftcitaties

Op basis van haar bevindingen concludeert Adsarias Rivero “Tijdschriftartikelen hebben de plaats van boeken niet ingenomen, omdat beide publicatieformaten uiteenlopende doelstellingen dienen.”, voor de sociale en geesteswetenschappen zijn boeken nog net zo belangrijk als twintig jaar geleden (en des te zorgwekkender is dus het verschralende aanbod aan boeken in wetenschappelijke bibliotheken).

De begeleiding van de scriptie was in handen van Henk Voorbij, dus methodologisch zal het allemaal in orde zijn.

Ik stuitte bij toeval op Adsarias’ scriptie toen die mijn bureau (= pc) passeerde voor opname in Scripties Online, het digitale scriptiebestand van de UvA. Daar zijn in de afgelopen periode veel meer interessante masterscripties in opgenomen. Een zoekactie op ‘MA Documentaire informatiewetenschap’ via Geavanceerd zoeken levert scripties over o.m. Library 2.0, Google Scholar vs. Scopus en Web of Science, social tagging en ERM-systemen op. Van harte aanbevolen!

P.S. blijkbaar dekt ook de benaming ‘documentaire informatiewetenschap’ inmiddels de lading niet meer, want de opleiding afficheert zich nu als ‘Culturele informatiewetenschap‘.

Periodiek onderhoud

Ook Berts keuze ontkomt na een paar maanden stilstand niet aan enig oppoetsen. Het laatste periodieke onderhoud dateert al weer van ruim 7 maanden geleden, en de wereld staat zoals bekend niet stil. Reageerde Laika Spoetnik in maart nog na de vorige oppoetsbeurt met een knipoog “Ik ben blij dat ik de grote schoonmaak overleefd heb, Bert.”, deze keer moet ik haar zelfs extra in het zonnetje zetten: Laika’s MedLibLog is namelijk genomineerd voor de Dutch Bloggies in de categorie Beste Gezondheid & Sport Weblog. Een eer waar menige biblioblogger alleen maar van kan dromen. Bekendmaking van de prijswinnaars is op 1 december! Wie Laika overigens in levende lijve wil zien optreden, spoedt zich a.s. donderdag naar het NVB-jaarcongres in Ede.

Terug naar Berts keuze. Louter toevoegingen deze keer, en daarbij blijf ik selectief. nlbiblioblogs is de beste bron voor een zo volledig mogelijk overzicht. Nieuw in mijn rijtje:

En last maar zeker not least:

een absolute aanrader voor geïnteresseerden in actuele ontwikkelingen in de wereld van wetenschappelijk publiceren. Volg deze blog en bijvoorbeeld de LIBLICENSE-discussielijst en je zult niet veel missen.

Self-fulfilling service?

‘t Zingt al jaren rond in de bibliotheekwereld: alleen door ons te spiegelen aan de Amazoogles van deze wereld zal de bibliotheek weten te overleven. En dat wordt dan vertaald in: één zoekbalkje op de bibliotheekwebsite dat toegang biedt tot alle informatie en veel ‘klanten-die-dit-produkt-bestelden, kochten ook dit produkt’-diensten.

Ex Libris, de leverancier waarvan we inmiddels niet alleen MetaLib en SFX maar ook Aleph afnemen, heeft sinds kort zo’n ‘aanbevelingen’- (0f recommender) dienst: bX. Inmiddels al in gebruik genomen bij onze Leidse collega’s en wij gaan er nu, na alle Aleph-perikelen, de komende maand ook mee experimenteren. Met bX krijgen gebruikers bij hun zoekresultaten via het inmiddels welbekende SFX-menu ook aanbevelingen in de trant van: klanten die dit artikel raadpleegden, vonden ook deze artikelen interessant. bX maakt daarbij gebruik van de gebruiksgegevens van SFX-bibliotheken wereldwijd. Want dat vormt natuurlijk de basis onder elk aanbevelingensysteem: er moet voldoende kritische massa zijn om dergelijke aanbevelingen echt waardevol te laten zijn. Dat is ook de kracht van de aanbevelingen van Amazon.

Werkt zoiets nu ook in een academische omgeving? Ik weet het (nog) niet. Ten eerste natuurlijk omdat ik nog niet met bX heb gewerkt. Maar ook omdat je je af kunt vragen of dat is waar wetenschappers naar zoeken. Willen die ook lezen wat anderen gelezen hebben of juist wat anderen misschien gemist hebben? Zit er niet een zichzelf bevestigend element in het aanbevelen van artikelen die anderen ook hebben gelezen? De keuze voor dergelijke artikelen zal alleen maar leiden tot een nog krachtiger aanbeveling bij een volgende zoekactie. Dreigen daardoor artikelen in minder gangbare tjdschriften niet helemaal in de marge gedrukt te worden? Voor een online boekenwinkel gericht op commercieel gewin zie ik het voordeel van dergelijke aanbevelingen meteen. Voor een wetenschapper op zoek naar informatie over een specifiek onderwerp heb ik mijn twijfel. Vormt juist ook de zoektocht naar relevante informatie en het maken van eigen keuzes daarin (in plaats van blijkbaar al gebaande wegen te volgen) niet een van de essenties van wetenschappelijk onderzoek?

Ik stel het allemaal maar een beetje vragenderwijs, omdat ik ook nog geen kant en klaar antwoord heb. Ben in ieder geval benieuwd naar m’n ervaringen tijdens de proef. En tot die tijd blijft ‘bX’ voor mij toch vooral de Citroën BX Cannes, mijn derde auto, ongeëvenaard wat betreft rijcomfort door de hydraulische vering.

Ranking the Universities

De bladeren vallen en dus is het ook tijd voor de jaarlijkse ranglijsten van universiteiten en opleidingen. In de afgelopen weken kwamen de nieuwe lijstjes van Times Higher Education, Elsevier, het Center for Higher Education Development en afgelopen vrijdag van Shanghai University (Academic Ranking of World Universities) weer voorbij, inclusief de bijbehorende persberichten van universiteiten die ‘de eerste, de beste’ in een of meer van die lijstjes waren.

Ik vond het leukste bericht tot nu toe dat in de CHE ExcellenceRanking een poging is gedaan boekcitaties te meten en in de ranking mee te nemen:

“For the first time, an effort was made to try not only an analysis of the citation of articles, but also of books. CWTS Leiden undertook this endeavour as we were convinced that in the social science subjects analysed in 2009, books play a major role. Although it proved impossible to provide an analysis exactly comparable to article citations because of insufficiencies in the databases which are available, it was possible to identify a number of highly cited books which are considered highly relevant in the respective field. However, because of the scarceness of data, this indicator was not used as a self-reliant indicator but as a “+” indicator for the publication indicator. This indicator was chosen for the 2009 round.”

Blijkbaar is het Leidse CWTS nu echt bezig hier werk van te maken, zoals onlangs ook al uit een berichtje in Mare viel af te leiden.

Canon van de algemene ontwikkeling

In 1992 verscheen de eerste editie van het Cultureel Woordenboek: encyclopedie van de algemene ontwikkeling. Een dikke pil van zo’n 650 pagina’s, naar Amerikaans voorbeeld (The Dictionary of Cultural Literacy uit 1988), dat een overzicht beoogde te geven van wat een algemeen ontwikkelde Nederlander zou moeten weten van een breed spectrum aan kennisgebieden. Het bleek een groot succes, want tussen 1992 en 2005 verschenen meer dan tien drukken van het Cultureel Woordenboek en de laatste herziene editie uit 2005 was al weer 100 pagina’s dikker dan de oorspronkelijke, eerste druk.

En nu is er sinds afgelopen vrijdag ook een online versie van het Cultureel Woordenboek. Met ondersteuning van de KNAW (die ook mede aan de wieg stond van de gedrukte versie) en het Prins Bernhardfonds zijn de teksten geactualiseerd en zijn links aangebracht naar de vaak veel uitvoeriger lemma’s in Wikipedia. In meerdere opzichten is deze online versie nog een ‘work-in-progress’: van de 47 geplande hoofdstukken zijn er nu 37 opgeleverd, de overige tien volgen in de komende maanden; de redactie heeft zich voorgenomen maandelijks updates te verzorgen; en gebruikers van het woordenboek worden uitgenodigd de redactie te informeren over wat zij vinden dat aan het woordenboek ontbreekt zodat het eventueel aangevuld kan worden. Maar, en dat wordt ook duidelijk gemaakt: dit is geen wiki waar iedereen zelf informatie kan toevoegen of wijzigen; de redactie houdt nadrukkelijk het laatste woord.

Van diezelfde redactie mag ook niet van een ‘canon van de algemene ontwikkeling’ gesproken worden. Maar dat is in het in vele opzichten natuurlijk wel. En daar is verder ook niets mis mee. Mooi dat deze online editie er nu is!

P.S. en de website verschijnt onder een Creative Commons Naamsvermelding-Niet commercieel gebruik-Geen afgeleide werken licentie. Het onderwijs kan hiermee dus z’n voordeel doen.

Altijd al gedacht

 

P7250215

                                 Amsterdam, Waterlooplein, 07.55 uur

Genomineerd!

Afgelopen augustus introduceerde de UB Amsterdam zelfbedieningsuitleen bij alle grotere bibliotheeklocaties van de universiteit. Niets bijzonders eigenlijk, want iets dat bij de meeste openbare bibliotheken al lang was ingevoerd en ook menige universiteitsbibliotheek in Nederland had al lang deze stap gezet. In de meeste faculteitsbibliotheken leidde het dan ook niet tot ingrijpende aanpassingen. Natuurlijk, alle boeken in de open opstelling moesten van een RFID-tag worden voorzien maar ze bleven gewoon op hun plaats staan. Het plaatsen van zelfbedieningsautomaten was nog de meest zichtbare manifestatie van deze stap.

Behalve op de (centrale) Universiteitsbibliotheek zelf, de locatie waar het meeste materiaal uit de magazijnen van de UB wordt uitgeleend. De uitleenhal ging in de maanden voor augustus grondig op de schop; balies verdwenen en maakten plaats voor de Rode Kamer. In deze ruimte kunnen studenten en medewerkers zelf hun boeken uit boxen halen en vervolgens via een van de uitleenautomaten aan zichzelf uitlenen. Een spectaculair ontwerp, spraakmakend en een waarover de meningen zeer verschillen.

En dat ontwerp is nu een van de vijf genomineerde ontwerpen in de categorie Serve & Facilitate voor de Great Indoors Award 2009, de tweede editie van deze prijs (de eerste keer was in 2007) waarvan de uitreiking op 28 november in Maastricht zal plaatsvinden door voormalig rijksbouwmeester Jo Coenen. Het ontwerp van Ira Koers en Roelof Mulder is met 24 andere ontwerpen en ontwerpbureaus, verdeeld over vijf categorieën, gekozen uit 380 inzendingen uit binnen- en buitenland. De concurrentie in de categorie Serve & Facilitate komt uit Rotterdam, Amstelveen, Kiruna (Zweden) en Praag.

Met deze nominatie in the pocket wordt november nog een spannende maand. Wordt de Rode Kamer nu ook de winnaar en weet de UB de wisselbeker voor beste UvA-dienstverlener te behouden? Stay tuned...

Alles? Nee, was het maar waar

Al weer negen jaar geleden was ik een week in New York voor een kijkje in de keuken van de Elmer Holmes Bobst Library van New York University (NYU), samenwerkingspartner van de UvA. Het was aan de vooravond van de presidentsverkiezingen tussen Bush Jr. en Al Gore, Hillary Clinton streed alleen nog maar mee voor een senaatszetel en van Barack Obama had nog (bijna) niemand gehoord. Kortom, weet u nog wel, oudje? Ik word overigens zelf nog dagelijks aan dat bezoek herinnerd omdat mijn collega Marcel Ottenbros met wie ik de trip maakte ’s avonds een keer in het hotel terugkeerde met een blauw verkiezingsaffiche van de de Democraten met onder elkaar de namen Gore – Lieberman (zijn kandidaat voor het vice-presidentschap) – Hillary. Voor sommige mensen is nu eenmaal een voornaam voldoende. Dat affiche hangt tegenover mijn bureau nog steeds aan de muur.

NYU is een privaat gefinancierde universiteit en dus hoeft het bericht van vorige week dat de regering van Abu Dhabi de volledige collectie van Bobst Library (omvang 5,1 miljoen boeken) gaat digitaliseren niet te verbazen. Alleen dat het de volledige collectie zou betreffen, moest al weer snel gerectificeerd worden: “This article, originally titled “NYUAD: All Bobst holdings will be digitized,” originally stated that all of Bobst’s books will be digitized. In fact, only portions of the library will be digitized. WSN regrets the error.” WSN, Washington Square News, de lokale nieuwsdienst van NYU kwam gelukkig snel met z’n rectificatie. Het was ook te mooi voor woorden (en zou ook voorbijgegaan zijn aan alle auteursrechtelijke problemen die aan digitalisering verbonden zijn).

Maar het blijft natuurlijk een situatie om in sommige opzichten jaloers op te zijn: zo maar een suikeroompje uit het Midden-Oosten die even de portemonnee wil trekken. Aan de andere kant, ook Abu Dhabi zal z’n Dirk Scheringa’s kennen, dus hoe bedrijfszeker een dergelijke toezegging is moet je altijd maar weer afwachten. Met NYU zal het echter wel goed zitten. Het gaat tenslotte om de toezegging van de regering en NYU heeft in de afgelopen jaren een prestigieuze dependance in Abu Dhabi opgezet.

E-books: lakmoesproef voor bibliotheken?

Vorige week vergaderde de UKB-werkgroep Collectiemanagement in Eindhoven bij de TUe. Onze Eindhovense collega’s grepen de gelegenheid aan om hun eigen Electronic Resource Management systeem, V-sources, te demonstreren. De meeste ERMs zijn produkten van commerciële bedrijven als ExLibris, maar V-sources is grotendeels door de TUe zelf ontwikkeld en wordt door partner Infor aan de bibliotheek gebracht. V-sources is erop gericht het beheer van alle electronische databases en alle elektronische tijdschriften waarvoor een instelling een licentie heeft in één systeem onder te brengen, met uiteraard de mogelijkheid dat systeem weer te koppelen aan het bibliotheeksysteem, de OPAC, het financiële systeem etc.  De demonstratie maakte bij de aanwezigen zeker indruk vanwege de veelzijdigheid en de inrichting van het systeem. Er is duidelijk vanuit de workflow van de bibliotheek gedacht.

Het beheer van elektronische databases en tijdschriften hebben we, mede door dit soort systemen, overal wel zo’n beetje in de vingers. Meer zorgen maken we ons over de e-books. Daar gaat het, ook al bieden veel bibliotheken er inmiddels al tienduizenden – zo niet honderdduizenden - aan, veel minder voorspoedig mee. Ingrijpende beperkingen op het daadwerkelijke gebruik (meest samengevat onder Digital Rights Management) en bekostigingsmodellen die voor universiteitsbibliotheken vaak onbetaalbaar zijn zorgen ervoor dat het actuele aanbod aan e-books vaak veel beperkter is dan bibliotheken eigenlijk zouden willen.

Joshua Kim schreef deze week in zijn blog op Inside HigherEd: “The future will judge academic librarians by how well they were able to build coalitions across institutions and negotiate with publishers to bring digital books into a co-equal status with physical books.” Makkelijker gezegd dan gedaan. De UKB-werkgroep heeft inmiddels een set basic requirements op papier gezet waaraan leveranciers van e-books moeten voldoen (helaas nog niet beschikbaar op de website van de werkgroep). Als we ons daar heel strikt aan houden, en waar schrijf je dit soort dingen anders voor op?, dan gaat het een kwestie van heel lange adem worden met een uitkomst die op dit moment nog allesbehalve duidelijk is.

Garbage In, Garbage Out

Je kunt soms toch zo op het verkeerde been gezet worden. Via een van mijn rss-feeds werd ik geattendeerd op een nieuw artikel, ‘Information-Seeking Behavior in the Digital Age: A Multi-Disciplinary Study of Academic Researchers’ geschreven door Xuemei Ge. Geaccepteerd voor publicatie door College & Research Libraries, geplande publicatiedatum: september 2010 (sic). Het is het soort titel waardoor ik altijd meteen getriggered word, al is het maar om m’n eigen vooroordeel dát er inderdaad belangrijke discipline-gebonden verschillen zijn nog eens bevestigd te krijgen.

Dat doet Ge dan ook, maar al lezende raakte ik toch steeds meer teleurgesteld over het gebodene. Dat betreft in de eerste plaats de conclusies die een zeer hoog open deur-gehalte hebben. “All the participants surveyed utilize electronic resources for their research at least some of the time, and will continue to use them as a means of gathering information.” Nee toch? denk je dan. En dan die deelnemers aan het onderzoek zelf. Dat blijken dertig medewerkers te zijn van Tennessee State University, 23 sociale wetenschappers en 7 geesteswetenschappers (en uiteraard ontbreken de uitsplitsingen naar geslacht en functie niet). Die zijn op basis van een standaard vragenlijst van 13 open en gesloten vragen bevraagd over hun methodes van informatie zoeken en verwerken. En dan komt op pagina 11 van de preprint de volgende aap uit de mouw: de interviews hebben plaatsgevonden in de periode juni-december 2004! (u leest het goed: 2004). Alsof er zich in de tussentijd geen veranderingen in de wetenschappelijke informatievoorziening hebben voorgedaan.

Ge is zich dat uiteraard ook bewust en dus besteedt hij in de laatste drie alineas kort aandacht aan een aantal van die recente ontwikkelingen (repositories, Web 2.0, Google Books), zonder er zich echter echt rekenschap van te geven wat de relevantie ervan is voor zijn onderzoekje en zijn artikel. Verder dan de obligate opmerking dat “it would be of interest to conduct additional studies to investigate how researchers’ use of these rseources continue to adapt as they continue to conduct research in the fluid world of electronic information resources.” komt hij niet. Een slappe variant op wat er ook al twintig pagina’s eerder staat: “More studies are needed to verify the results reported in this study.”

Zou hoofdredacteur Joseph Branin zich dit nu ook niet afgevraagd hebben? Wat is de relevantie van dit artikel nu, laat staan wanneer het over een jaar officieel als artikel zal verschijnen? Ge zelf zal ongetwijfeld wijzen op zijn bijdrage aan de verdere ontwikkeling van het model voor informatie zoeken door sociale wetenschappers van David Ellis uit 1993. Dat is echter allemaal nogal ‘dun’. Maar goed, misschien is mijn ‘garbage in, garbage out’ ook niet helemaal terecht. Ik kon het echter niet nalaten het te gebruiken nadat ik het op pagina 27 tegenkwam.

Volgende Pagina »