Perplex

Jonathan Band is mijn favoriete commentator van de Google Book Search settlement. Band, opgeleid aan Harvard en Yale en thans verbonden aan Georgetown University, heeft vanaf de eerste schermutselingen over wat toen nog het Google Library project heette over het onderwerp gepubliceerd. Vanaf de overeenkomst tussen Google enerzijds en Authors Guild en Association of American Publishers anderzijds heeft hij met name de Amerikaanse bibliotheekwereld bijgestaan met zijn Guides for the Perplexed. De eerste daarvan verscheen kort na de totstandkoming van de overeenkomst op 13 november 2008, onder auspiciën van de ALA, ARL en ARCL, A Guide for the Perplexed: Libraries and the Google Library Project Settlement.  Zeven maanden later verscheen Part II, nadat Google met een van haar scanpartners, de University of Michigan, een aangepaste overeenkomst had gesloten die ook voor andere bibliotheken consequenties zou gaan hebben.

En nu is dan al weer Part III verschenen, waarin Band de belangrijkste gevolgen van de geamendeerde overeenkomst voor bibliotheken de revue laat passeren.  Bands conclusie n.a.v. de aanpassing van de overeenkomst tot alleen de boeken die onder het Amerikaanse copyright vallen is dat de overeenkomst daarmee waarschijnlijk nog maar op de helft van de tot nu toe gedigitaliseerde boeken van toepassing is. “By removing foreign language books and their rightsholders from the settlement, the parties have removed the source of much of the controversy concerning the settlement. At the same time, the products available under the ASA will be far less comprehensive.” Band laat zich verder niet uit over de kwestie waar rechter Chin zich over zal moet buigen, nl. of de nieuwe overeenkomst “fair, reasonable, and adequate” is.

Bands kostje is ondertussen in ieder geval tot eind februari 2010 gekocht. Tot die tijd zal hij een veel gevraagd spreker blijven op conferenties over Google Book Search. En hoogstwaarschijnlijk ook daarna nog, want wat de uitspraak van Chin straks ook zal zijn, gelet op alle belangen die er in het geding zijn zal dan nog vast niet in juridische zin het laatste woord gezegd zijn.

De Amerikaanse boekproduktie ontleed

Er is nog steeds geen definitief akkoord over Google Book Search maar in de afgelopen weken zijn wel weer grote stappen in die richting gezet. Nadat de direct betrokken partijen op 13 november op het allerlaatste moment hun nieuwe voorstellen bij de New Yorkse rechtbank hadden gedeponeerd, kwam dit weekend het bericht dat Judge Chin zijn voorlopige goedkeuring aan deze voorstellen heeft verleend. Opposanten kunnen nu opnieuw tot eind januari 2010 hun bezwaren tegen de geamendeerde voorstellen kenbaar maken en op 18 februari volgt er dan een laatste hearing. Alle belangengroepen kunnen dus weer aan de slag.

Een van de belangrijke wijzigingen die door Google, de Authors Guild en de Association of American Publishers is doorgevoerd is de beperking van de overeenkomst tot boeken die onder het Amerikaanse copyright vallen of die gepubliceerd zijn in het Verenigd Koninkrijk, Canada of Australië. Deze drie landen hebben volgens Google c.s. zowel op juridisch terrein als op het terrein van boekpublicatie voldoende gemeenschappelijks. Britse, Canadese en Australische rechthebbenden krijgen dan ook een vertegenwoordiging in de directie van de voorziene Book Rights Registry.

Juist over die boeken die onder het Amerikaanse copyright vallen hebben Brian Lavoie en Lorcan Dempsey van OCLC net een heel aardig artikel gepubliceerd waarin ze op basis van de rijke WorldCat-gegevens de karakteristieken van die collectie trachten te achterhalen. Lavoie en Dempsey publiceerden al eerder over dit onderwerp.

Zo maar wat observaties uit hun artikel:

  1. WorldCat bevat momenteel 84,8 miljoen bibliografische records van gedrukte boeken, waarvan er 15,5 miljoen onder het Amerikaanse copyright vallen. Deze aantallen betreffen unieke manifestaties, niet alle afzonderlijke boeken die daadwerkelijk op de planken staan. Van die 15,5 miljoen afzonderlijke manifestaties zijn ruim 650 miljoen exemplaren in WorldCat geregistreerd. Oftewel, van ieder afzonderlijk boek staan gemiddeld 43 exemplaren op de plank.
  2. Van die 15,5 miljoen boeken is 14% gepubliceerd vóór 1923 (en derhalve rechtenvrij), 65% gepubliceerd ná 1963 (volledig in copyright) en 17% gepubliceerd tussen 1923 en 1963 (ca. 2,6 miljoen boeken), waarvan dus niet bij voorbaat vastgesteld kan worden of ze nog gedekt worden door het Amerikaanse copyright of toch al in het publieke domein terecht zijn gekomen. Dat moet op individuele titelbasis vastgesteld worden.
  3. Van de 12,6 miljoen boeken gepubliceerd ná 1923 is ruim 90% non-fictie en slechts 8% fictie. De non-fictie is verdeeld over alle wetenschapsgebieden onder ‘aanvoering’ van geschiedenis (8%), techniek en economie (beide 7%). Van diezelfde 12,6 miljoen boeken van ná 1923 is bijna 55% van academisch niveau, ruim 40% van algemeen niveau en slechts 4% richt zich specifiek op jeugdigen. Lavoie en Dempsey hebben hun analysemethoden ook nog eens losgelaten op drie van de zgn. Google-bibliotheken en dan blijkt de zgn.”audience level” nog meer naar het academische niveau getrokken te worden. Niet verwonderlijk natuurlijk.

Met deze resultaten in de hand komt het gegeven van één terminal met vrije toegang tot de GBS-database per openbare bibliotheek aan de ene kant en anderzijds de academische bibliotheken die afhankelijk zijn van een licentie met Google waarvan de kosten tot nu toe onbekend zijn weer in een wat ander daglicht te staan. Juist die laatste groep heeft veel te winnen bij onbeperkte toegang tot GBS en zal daar waarschijnlijk een vette prijs voor moeten gaan betalen.

1-0 voor de open opstelling?

Syracuse University is in rep en roer. Bibliothecaris Suzanne E. Thorin heeft voorgesteld een groot deel van de open opgestelde collecties te verplaatsen naar een offsite storage, ruim 250 kilometer van Syracuse verwijderd. Medewerkers en studenten zijn over haar heen gevallen tijdens een openbare bespreking van Thorins ideeën, waarin m.n. de onevenredige aanslag op de geesteswetenschappelijke boekencollectie en de vraag naar een offsite storage in de onmiddellijke nabijheid van Syracuse centraal stonden. Definitieve besluiten zijn nog niet genomen, maar als Thorin haar plannen doorzet kan ze rekenen op fikse tegenstand op haar campus.

In de polemiek tussen voor- en tegenstanders van de voorgestelde verhuizing wordt Thorin afgeschilderd als “anti-book”. Ze heeft wat dat betreft ook de schijn tegen, zoals ze zelf ook erkend heeft, door tijdens de laatste EDUCAUSE-conferentie in Denver een pittige discussiebijdrage te leveren: “Let’s face it: the library, as a place, is dead (…) Kaput. Finito. And we need to move on to a new concept of what the academic library is.”  Om de discussie scherp te stellen, zegt ze nu, maar “on a local front, bad timing”.

Het is inderdaad al te makkelijk om Thorin als ‘anti-book’ weg te zetten. Daarvoor is ze in haar hart teveel geesteswetenschapper en heeft ze zich in het verleden ook te vaak opgesteld als iemand die oog heeft voor de verschillen tussen disciplines in hun wijze van wetenschappelijke communicatie en publicatie (zoals in Global Changes in Scholarly Communication uit 2003). Maar ook zij wordt geconfronteerd met een situatie waarover menige bibliothecaris zijn hoofd pijnigt: in financieel opzicht zijn het krappe tijden, de open opstelling is een ruimtevreter wat betreft vloeroppervlak en de vraag naar van alle (m.n. digitale) gemakken voorziene studieplaatsen en -ruimtes is onverminderd groot. En er zijn geen makkelijke keuzes…

P.S. dat Thorin in 2008 $ 720 heeft bijgedragen aan de campagne van Barack Obama hoeft, gegeven het nogal liberal karakter van het spraakmakende deel van de Amerikaanse wetenschappelijke bibliotheekwereld, niemand te verbazen. De openbaarheid rond dat soort informatie verbaast mij echter nog wel steeds. En het roept ook meteen de vraag op hoe dat bij ons in Nederland zit. Veel D66′ers onder onze bibliothecarissen?

Denerlands

                        Roetersstraat, 12.15 uur

Als ze nu ook nog even dat ‘van’ hadden vervangen door ‘af’ dan was het helemaal goed geweest.

Je kunt tegenwoordig ook niets meer uitbesteden, zelfs niet het plakken van letters… ;-)

Parole Parole Parole

De opmars van Engelse woorden in het Nederlands is nog steeds onstuitbaar. Stakeholder schijnt inmiddels geheel ingeburgerd te zijn, en voor roadmap voorzie ik ook glorieuze toekomst. Ze vliegen je inmiddels om de oren. De subkeynote die de NVB vorige week introduceerde, voorspel ik een minder voorspoedige toekomst. Wie wil zo eigenlijk geïntroduceerd worden? Keynote speaker, vooruit, maar subkeynote???

Stakeholder figureert dit jaar ook in de top 15 van de Vaagtaalverkiezing. ‘Je ding doen’ was dit jaar de onbetwiste winnaar, naast klassiekers als ‘een stukje’ en ‘doorcommuniceren’. Trouwens een populaire bezigheid aan het worden op het web: de uitverkiezing van irritantste, vaagste of anderszins aanstootgevende woorden. Tot 1 december kan er nog voor het irritantste woord van 2009 gestemd worden; ‘een stukje’ staat ook daar op de shortlist.

Mijn eigen favoriet? Dat is denk ik ’slim’ of ’slimmer’, in de betekenis van zaken slim of slimmer aanpakken. Wordt te pas en te onpas gebruikt. Als het maar ’slim’ is, is het blijkbaar goed. Alsof we in het verleden alles altijd ‘dom’ aangepakt zouden hebben. En als we er nu maar het etiket ’slim’ op plakken (zonder dat duidelijk is wat dan slimmer moet en hoe) dan zal het in ieder geval beter zijn. Terwijl we uit ons recente koninklijke verleden toch zouden moeten weten dat ‘een beetje dom‘ ook heel succesvol kan zijn. ;-)

Toogdag in Ede

Vanmorgen naar Ede afgereisd voor het NVB-jaarcongres. Uiteindelijk niet alleen voor het congres zelf, maar ook om de plenaire vergadering van de UKB-bibliothecarissen bij te wonen. Nol was vandaag verhinderd en je bent “een beetje adjunct” of niet. Bas Haring en Andrew Keen daardoor gemist, maar compensatie in de vorm van de voltallig aanwezige UKB-bibliothecarissen. Waar overigens afscheid genomen werd van Alex Klugkist (Groningen, opvolger inmiddels bekend, nl. Marjolein Nieboer) en Hans Geleijnse (Tilburg, opvolger nog niet bekend). Wat de Utrechtse vacature betreft werd ons voor morgen witte rook toegezegd. Ik ben benieuwd.

UKB vergadert normaal plenair in Utrecht, maar vandaag was voor Ede gekozen. Jan van der Burg had daar zelfs in een van zijn enthousiasmerende pre-conference berichten trots melding van gemaakt. Van echte synergie was echter geen sprake, want van 10 tot 13 uur trokken wij ons terug in zaaltje Strauss 1, ver weg van het congresgeroezemoes. Ideetje voor de volgende keer: een publieke vergadering voor iedere geïnteresseerde congresganger toegankelijk. Moet kunnen in een tijd van transparantie en kan heel leerzaam zijn voor iedereen.

Want waar ging het vandaag over? De nationale informatie infrastructuur, nieuwe licenties voor Elsevier en Springer, de noodzaak danwel verplichting om de aanschaf van content Europees aan te besteden, de overgang naar internationale metadatastandaarden. Kortom onderwerpen die iedereen werkzaam in wetenschappelijke bibliotheken raakt en die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor onze organisatie, onze financiën, etc.

Maar goed, een publiek toegankelijke vergadering gaat misschien op dit moment nog te ver. Een stap in de goede richting zou bijvoorbeeld al wat meer openheid zijn over de werkzaamheden van UKB. De website is wat dat betreft aan een stevige update toe en zou ook beter/meer gebruikt kunnen worden als informerend medium. Dat is echter maar de mening van een eenmalige deelnemer en een adjunct…

And Never The Twain Shall Meet

Spaanse architecten en de Hollandse polder, het blijft een moeilijke combinatie. Vandaag was het weer raak. De bouw van de nieuwe studentencampus in Maastricht, een ontwerp van Santiago Calatrava, gaat definitief niet door. De overschrijding van het budget heeft inmiddels dusdanige vormen aangenomen dat de verantwoordelijke woningstichting Servatius voortzetting van het project financieel onhaalbaar acht.

En dat bericht las ik nog geen uur nadat ik in onze plaatselijke Folia weer een berichtje tegenkwam over de juridische problemen rond de bouw van onze nieuwe Universiteitsbibliotheek, zoals bekend een ontwerp van de Spanjaarden Cruz y Ortiz. Het feest zou compleet zijn als er vandaag ook nog even wat nieuwe rampspoed te melden zou zijn over hun nieuwe ideeën over de onderdoorgang van het Nieuwe Rijksmuseum. Maar misschien is dat teveel gevraagd.

Tja, Spaanse architecten in Nederland. Zouden ze er hun buik inmiddels niet vol van hebben?

Citeren geanalyseerd

Is het citeergedrag van Nederlandse sociale en geesteswetenschappers in de afgelopen twintig jaar onder invloed van het sterk gegroeide aanbod aan elektronische tijdschriften en een schraler aanbod aan boeken veranderd? Dat is de vraag waarop Marta Adsarias Rivero in haar masterscriptie Het belang van boeken in digitale tijden een antwoord probeert te geven. Voor vier disciplines heeft zij, op basis van uit het Web of Science geselecteerde artikelen, het aantal citaties per artikel, de gemiddelde leeftijd van die citaties en het aandeel tijdschriftcitaties per artikel geanalyseerd.

Uit haar bevindingen:

  • in sommige disciplines is het aantal citaties per artikel in de afgelopen 20 jaar sterk gestegen, maar algemeen geldende uitspraken zijn daar niet uit te destilleren
  • in alle onderzochte disciplines is de gemiddelde ‘citaatleeftijd’ in de afgelopen 20 jaar gestegen, een fenomeen dat alleen op het conto komt van boekcitaties (en niet bijvoorbeeld van het beschikbaar komen van digitale tijdschriftarchieven)
  • alleen bij experimentele psychologie is er sprake van proportioneel meer tijdschriftcitaties

Op basis van haar bevindingen concludeert Adsarias Rivero “Tijdschriftartikelen hebben de plaats van boeken niet ingenomen, omdat beide publicatieformaten uiteenlopende doelstellingen dienen.”, voor de sociale en geesteswetenschappen zijn boeken nog net zo belangrijk als twintig jaar geleden (en des te zorgwekkender is dus het verschralende aanbod aan boeken in wetenschappelijke bibliotheken).

De begeleiding van de scriptie was in handen van Henk Voorbij, dus methodologisch zal het allemaal in orde zijn.

Ik stuitte bij toeval op Adsarias’ scriptie toen die mijn bureau (= pc) passeerde voor opname in Scripties Online, het digitale scriptiebestand van de UvA. Daar zijn in de afgelopen periode veel meer interessante masterscripties in opgenomen. Een zoekactie op ‘MA Documentaire informatiewetenschap’ via Geavanceerd zoeken levert scripties over o.m. Library 2.0, Google Scholar vs. Scopus en Web of Science, social tagging en ERM-systemen op. Van harte aanbevolen!

P.S. blijkbaar dekt ook de benaming ‘documentaire informatiewetenschap’ inmiddels de lading niet meer, want de opleiding afficheert zich nu als ‘Culturele informatiewetenschap‘.

Periodiek onderhoud

Ook Berts keuze ontkomt na een paar maanden stilstand niet aan enig oppoetsen. Het laatste periodieke onderhoud dateert al weer van ruim 7 maanden geleden, en de wereld staat zoals bekend niet stil. Reageerde Laika Spoetnik in maart nog na de vorige oppoetsbeurt met een knipoog “Ik ben blij dat ik de grote schoonmaak overleefd heb, Bert.”, deze keer moet ik haar zelfs extra in het zonnetje zetten: Laika’s MedLibLog is namelijk genomineerd voor de Dutch Bloggies in de categorie Beste Gezondheid & Sport Weblog. Een eer waar menige biblioblogger alleen maar van kan dromen. Bekendmaking van de prijswinnaars is op 1 december! Wie Laika overigens in levende lijve wil zien optreden, spoedt zich a.s. donderdag naar het NVB-jaarcongres in Ede.

Terug naar Berts keuze. Louter toevoegingen deze keer, en daarbij blijf ik selectief. nlbiblioblogs is de beste bron voor een zo volledig mogelijk overzicht. Nieuw in mijn rijtje:

En last maar zeker not least:

een absolute aanrader voor geïnteresseerden in actuele ontwikkelingen in de wereld van wetenschappelijk publiceren. Volg deze blog en bijvoorbeeld de LIBLICENSE-discussielijst en je zult niet veel missen.

Self-fulfilling service?

‘t Zingt al jaren rond in de bibliotheekwereld: alleen door ons te spiegelen aan de Amazoogles van deze wereld zal de bibliotheek weten te overleven. En dat wordt dan vertaald in: één zoekbalkje op de bibliotheekwebsite dat toegang biedt tot alle informatie en veel ‘klanten-die-dit-produkt-bestelden, kochten ook dit produkt’-diensten.

Ex Libris, de leverancier waarvan we inmiddels niet alleen MetaLib en SFX maar ook Aleph afnemen, heeft sinds kort zo’n ‘aanbevelingen’- (0f recommender) dienst: bX. Inmiddels al in gebruik genomen bij onze Leidse collega’s en wij gaan er nu, na alle Aleph-perikelen, de komende maand ook mee experimenteren. Met bX krijgen gebruikers bij hun zoekresultaten via het inmiddels welbekende SFX-menu ook aanbevelingen in de trant van: klanten die dit artikel raadpleegden, vonden ook deze artikelen interessant. bX maakt daarbij gebruik van de gebruiksgegevens van SFX-bibliotheken wereldwijd. Want dat vormt natuurlijk de basis onder elk aanbevelingensysteem: er moet voldoende kritische massa zijn om dergelijke aanbevelingen echt waardevol te laten zijn. Dat is ook de kracht van de aanbevelingen van Amazon.

Werkt zoiets nu ook in een academische omgeving? Ik weet het (nog) niet. Ten eerste natuurlijk omdat ik nog niet met bX heb gewerkt. Maar ook omdat je je af kunt vragen of dat is waar wetenschappers naar zoeken. Willen die ook lezen wat anderen gelezen hebben of juist wat anderen misschien gemist hebben? Zit er niet een zichzelf bevestigend element in het aanbevelen van artikelen die anderen ook hebben gelezen? De keuze voor dergelijke artikelen zal alleen maar leiden tot een nog krachtiger aanbeveling bij een volgende zoekactie. Dreigen daardoor artikelen in minder gangbare tjdschriften niet helemaal in de marge gedrukt te worden? Voor een online boekenwinkel gericht op commercieel gewin zie ik het voordeel van dergelijke aanbevelingen meteen. Voor een wetenschapper op zoek naar informatie over een specifiek onderwerp heb ik mijn twijfel. Vormt juist ook de zoektocht naar relevante informatie en het maken van eigen keuzes daarin (in plaats van blijkbaar al gebaande wegen te volgen) niet een van de essenties van wetenschappelijk onderzoek?

Ik stel het allemaal maar een beetje vragenderwijs, omdat ik ook nog geen kant en klaar antwoord heb. Ben in ieder geval benieuwd naar m’n ervaringen tijdens de proef. En tot die tijd blijft ‘bX’ voor mij toch vooral de Citroën BX Cannes, mijn derde auto, ongeëvenaard wat betreft rijcomfort door de hydraulische vering.

Volgende Pagina »