Prijs je rijk

Ben je (gelukkig) net weer een beetje uit het nieuws verdwenen met je wetenschappelijke tijdschriften die niet allemaal de toets der kritiek kunnen doorstaan, blijkt een overijverige marketing-medewerker van je bedrijf (het gaat inderdaad om Elsevier) auteurs uit te nodigen om tegen ontvangst van het boek zelf én een $ 25 gift card van Amazon een positieve bespreking voor zowel Amazon als Barnes & Noble te schrijven.

De email aan de auteurs is van een ontnuchterende openhartigheid:

“Congratulations and thank you for your contribution to Clinical Psychology. Now that the book is published, we need your help to get some 5 star reviews posted to both Amazon and Barnes & Noble to help support and promote it. As you know, these online reviews are extremely persuasive when customers are considering a purchase. For your time, we would like to compensate you with a copy of the book under review as well as a $25 Amazon gift card. If you have colleagues or students who would be willing to post positive reviews, please feel free to forward this e-mail to them to participate. We share the common goal of wanting Clinical Psychology to sell and succeed. The tactics defined above have proven to dramatically increase exposure and boost sales. I hope we can work together to make a strong and profitable impact through our online bookselling channels.”

Het commentaar van Elsevier: hier is “an overzealous employee” aan het werk geweest, maar dergelijke praktijken stroken niet met Elseviers beleid terzake. Uitnodigen tot het schrijven van een bespreking mag, potentiële auteurs daarvoor belonen mag ook, maar vooraf vragen om een positieve bespreking, dat is ook voor Elsevier een brug te ver. Althans, als reactie op deze casus…

Aanwinsten 2.0

Aanwinstenlijsten zijn zo oud als bibliotheken zelf. De bibliothecaris verzamelt tenslotte voor zijn eigen gebruikersgroep en die wil hij maar wat graag op de hoogte brengen van nieuw materiaal dat aan de collectie is toegevoegd. Aanwinstenlijsten op papier hebben inmiddels al lang plaatsgemaakt voor digitale versies en er is eigenlijk geen zichzelf respecterende bibliotheek die niet op een of andere wijze die digitale lijsten onder haar gebruikersgroep verspreidt.

Wij doen dat in Amsterdam ook en we weten dat, zeker in de hoek van de geesteswetenschappen, die attendering op nieuwe aanwinsten hogelijk gewaardeerd wordt. Verstoring in de maandelijkse aanlevering van nieuwe lijsten is zelfs een van de weinige zaken die onmiddellijk tot vragen (geen klachten!) leiden uit onze gebruikersgroep: ‘waar is die nieuwe aanwinstenlijst toch? Ik mis het laatste overzicht voor mijn vakgebied.’

En ook de aanwinstenlijsten ontkomen niet aan de 2.0-ontwikkeling. Het aanbieden via rss, zoals in Amsterdam bijvoorbeeld mogelijk is op vakgebied of bibliotheeklocatie, is wel het minste dat je je gebruikers tegenwoordig moet voorschotelen. Via een blog gebruikers op nieuwe aanwinsten attenderen wordt sinds enige tijd al in Groningen (De digitale vitrine) en door de VU (Spotl!ght) gebruikt.

Ook uit Groningen, maar dan van de Letteren Bibliotheek, is het gebruik van Flickr voor het onder de aandacht brengen van nieuwe aanwinsten.  De covers van die nieuwe aanwinsten worden via een slideshow gepresenteerd op de homepage van de bibliotheek. Ongetwijfeld arbeidsintensiever dan het automatisch laten genereren van lijsten, maar visueel veel aantrekkelijker. Wageningen biedt ook een dergelijke digitale versie aan van haar aanwinstenplanken, maar die heeft weer het nadeel dat van boeken waarvan langs geautomatiseerde weg geen cover beschikbaar is, alleen een tekstuele presentatie wordt gegeven. Een probleem waar Gerard Bierens een aantal jaren geleden ook al tegenaan liep bij het linken van de aanwinstenlijsten van Fontys aan de database van Amazon. Zo blijft er altijd iets te wensen over…

Van de pot en de ketel

‘t Is al weer een paar weken geleden dat de hele academische wereld (nou ja, vooral dat bibliotheek-hoekje daarvan) zich druk én vrolijk over de onthulling dat Elsevier enkele jaren geleden een aantal tijdschriften heeft gepubliceerd waar de zo veel geprezen peer review niet alleen ontbrak maar die in feite promotiemateriaal waren voor het farmaceutische bedrijf Merck. Dat bedrijf zou Elsevier zelfs betaald hebben om tijdschriften als de Australian Journal of Bone and Joint Medicine uit te geven. Het nieuws was natuurlijk koren op de molen van Open Access-propagandisten. Was hiermee niet definitief bewezen dat we die vermaledijde uitgeefgiganten helemaal niet nodig hebben? Zij die altijd roepen dat ze onmisbaar zijn omdat zij als enigen kunnen zorgen voor het waarborgen van de wetenschappelijke kwaliteit via peer review blijken daar zelf om commerciële redenen een loopje mee te nemen. Of, in de woorden van Peter Suber: “Remember this anecdote the next time someone raises the common myth that OA journals are lower quality or that OA is about bypassing quality control. Closed access does not guarantee high quality, even from the most prominent publishers.”

Maar ja, is die peer review dan wel in goede handen bij Open Access-tijdschriften? Elsevier & co roepen natuurlijk al jaren dat dat niet zo is en ook zij kunnen zich nu weer verheugen in een aansprekend praktijkvoorbeeld: op de Scholarly Kitchen-blog doet Phil Davis verslag van zijn ervaringen met het OA-tijdschrift The Open Information Science Journal dat uitgegeven wordt door Bentham Science op basis van het author-pays model. Davis stuurde een nep-artikel van de auteurs David Phillips en Andrew Kent, beiden verbonden aan het Center for Research in Applied Phrenology (CRAP), in dat na enkele maanden en, volgens Bentham Science, na peer review voor publicatie werd geaccepteerd. Of hij maar even de fee wilde overmaken. Zie je wel, hoor je ze bij Elsevier denken: Open Access staat gelijk aan onbetrouwbaar.

Elsevier was er als de kippen bij om de Merck-onthulling als een incident af te doen, iets wat al weer enkele jaren geleden zich had afgespeeld en in de tussentijd waren de touwtjes uiteraard strakker aangetrokken zodat dit niet nog een keer zou kunnen gebeuren. Hetzelfde zie je gebeuren bij de Bentham-hoax: Peter Suber put zich op zijn blog uit in het beargumenteren dat ook dit een uitzondering is en dat hiermee uiteraard niet de hele Open Access-beweging in diskrediet is gebracht.

Er staat ook veel op het spel. Dat blijkt nog eens uit de nieuwe SURF-studie Costs and Benefits of Research Communication: The Dutch Situation: als alle wetenschappelijke artikelen openbaar beschikbaar zouden zijn, zou dat de Nederlandse samenleving een voordeel op kunnen leveren van 133 miljoen euro per jaar (mijn cursivering). Ik heb de studie nog niet helemaal goed gelezen, maar volgens mij is dat maar de helft van het verhaal: Open Access zou de Nederlandse universiteiten ook zo’n 60 miljoen extra gaan kosten om al hun wetenschappelijke artikelen op basis van het author-pays model gepubliceerd te krijgen. Maar goed, het gaat om grote bedragen en het gaat om een groot goed: de toegankelijkheid van wetenschappelijke informatie. Voor deze zomer staan voor de Nederlandse universiteitsbibliotheken de onderhandelingen over een nieuwe licentie voor Elseviers ScienceDirect op het programma. Ook daarbij gaat het om een bedrag van vele miljoenen op jaarbasis, waarover dus echt wel even onderhandeld moet worden. Vraag is alleen hoeveel onderhandelingsvrijheid de universiteitsbibliotheken hebben: hun wetenschappers smullen van de onbeperkte toegang tot Elseviers tijdschriften en maken daar meer dan intensief gebruik van. Hoe acceptabel is beperktere toegang indien er in financieel opzicht straks niet met Elsevier uit te komen valt?

Writer’s Block?

Hm, nee, niet echt. M’n laatste post dateert inmiddels van bijna een maand geleden. Dat geeft inderdaad te denken. Maar het is beslist geen kwestie van gebrek aan inspiratie of ideeën. Eerder teveel dan te weinig is dichter bij de waarheid.

Wat dan? Geen tijd? Mwah, dat kan ik eigenlijk ook niet zeggen. Als je een idee hebt, is het schrijven van de post zelf meestal snel genoeg gedaan. Zeker als je je niet al te druk maakt om de visuele aantrekkelijkheid maar je beperkt tot platte tekst met de essentiële links.

Blogmoe dan wellicht? Neuh, ik heb net mijn eerste verjaardag als blogger gevierd en was (en ben nog steeds) vastbesloten ook in m’n tweede levensjaar op de ingeslagen weg door te gaan.

Wat dan wel? Het is vooral een kwestie van onvoldoende energie. Het Aleph-project is in een cruciale fase beland en vraagt niet alleen op het werk maar ook daarbuiten alle aandacht. En dan moet je keuzes maken, wil je niet alleen maar met je werk bezig zijn. Een van die keuzes is geweest om het bloggen niet slechts op de spaarbrander maar zelfs op het allerkleinste waakvlammetje te zetten. Vind ik dat leuk? Nee, maar het is op dit moment wel de verstandigste keuze. Even een pas op de plaats, in afwachtng van betere tijden.

Komen die dan nog? Natuurlijk, die implementatie van Aleph zal deze zomer afgerond worden. En dan wordt het vanzelf weer tijd voor ‘leuke dingen’. Dat hoeft overigens niet alleen bloggen, maar kunnen overigens best ook Aleph-gerelateerde zaken zijn. Zo werd ik deze week via een Aleph-discussielijst geattendeerd op de ‘On the same shelf’-feature die door enkele Aleph-bibliotheken is ontwikkeld (bijv. de UB van Jönköping of die van Huddersfield) waarbij in de volledige titelpresentatie van boeken de omslagen (plus directe links naar de titelbeschrijvingen) worden gepresenteerd van boeken die letterlijk op dezelfde plank staan als het gezochte boek. Kijk, ik weet dat we er niet in zullen slagen dergelijke mogelijkheden bij onze eerste implementatie meteen al mee te nemen, maar stilletjes word ik daar wel weer even vrolijk van.

Bezuinigingstip: hergebruik boeken

Episode zoveel in de langlopende nieuwbouw-soap: het bestuur van het stadsdeel Centrum van Amsterdam heeft van de UvA te horen gekregen dat het Fortis-gebouw aan het Rokin geen geschikt alternatief is voor nieuwbouw op het Binnengasthuisterrein. Dat de UvA dat vindt hoeft uiteraard niet te verwonderen, maar blijkbaar is het stadsdeelbestuur het opnieuw met de UvA eens. Wordt waarschijnlijk nog tot in lengte van jaren vervolgd. Niet voor niets verklaart collegevoorzitter Karel van der Toorn: ”Wie wil bouwen in de binnenstad, moet geduld en doorzettingsvermogen hebben.”

Ongetwijfeld zullen we in dat nog lange traject ook nog wel eens met een of meerdere bezuinigingsopdrachten geconfronteerd worden. Inspiratie kunnen we daarbij dan opdoen bij het nieuwe tijdelijke onderkomen van de faculteitsbibliotheek Bouwkunde van de TU Delft. Dat nieuwe onderkomen wordt gedomineerd door een balie van … boeken! Geweldig idee. Dat kunnen wij natuurlijk ook. Niet alleen een balie, maar ook de tafels, de stoelen, wellicht zelfs de boekenkasten! We hebben nog wel een paar kilometertjes af te stoten materiaal in ons depot in Amsterdam Zuidoost staan. Dat we daar niet eerder aan gedacht hebben.

Doe meer met GBS

Diep in ons hart zijn we allemaal natuurlijk een beetje ijdel. Als blogger willen we gelezen worden en hoge raadpleegcijfers halen, als wetenschapper willen we bij een prestigieuze uitgeverij publiceren en veelvuldig geciteerd worden. Nu ben ik ooit nog eens een blauwe maandag wetenschapper geweest, heb her en der wat gepubliceerd in (inter-)nationale wetenschappelijke tijdschriften (opa spreekt: e-journals bestónden nog niet) en was dus destijds ook zeer geïnteresseerd in wat er met die publicaties gebeurde. Als geesteswetenschapper kon ik mij niet rondwentelen in publicaties in tijdschriften met een hoge impact factor, die bestaat nu eenmaal niet voor geesteswetenschappelijke tijdschriften. Gelukkig bleken mijn artikelen volgens de voorgangers van Web of Knowledge wel af en toe geciteerd te worden, maar voor een hoge h-index kwam dat allemaal zeker niet in aanmerking.

Logisch ook natuurlijk, want geesteswetenschappers publiceren nu eenmaal relatief veel monografieën waarin zij hun onderzoeksresultaten na een flink aantal jaren ploeteren breed uitmeten. En die monografieën en de citaties die daarin zijn opgenomen vinden we, zoals bekend, niet in de citation indices van ISI terug.

Enter Google Book Search! Voer een kenmerkend gedeelte uit de artikeltitel tussen aanhalingstekens in dat heerlijk eenvoudige zoekbalkje in, klik op Search books en voor je het weet achterhaal je wie allemaal dat artikel geciteerd heeft en nu niet in een tijdschriftartikel, maar in een boek! Voor het vinden van boek-citaties geldt natuurlijk precies hetzelfde.

Een mer à boire! Ik begon al deze post met die opmerking over ijdelheid. Toch leuk om nu terug te kunnen zien door welke auteurs je eigen artikel uit 1986 is verwerkt in hun studies over het onderwerp waar je destijds zo intensief mee bezig was (voor de echt geïnteresseerden: zoek in GBS op “The Treaty of Dunkirk Example”).

Nu wordt er al jarenlang gesproken over een betrouwbaarder methode van kwaliteitsmeting voor geesteswetenschappelijk onderzoek waarin ook het bij de bèta’s zo ingeburgerde citatie-onderzoek wordt meegenomen. Het ontbreken van citaties in monografieën is daarbij altijd als een groot bezwaar naar voren gebracht, maar dat lijkt met GBS in ieder geval voor een deel te ondervangen. Het zou me niet verwonderen als daar door slimme programmeurs ook al ergens aan gewerkt wordt. Of misschien wordt het al ergens daadwerkelijk toegepast en heb ik weer eens zitten slapen…

Back in town!

Niet alleen een volle mailbox en een project dat in een kritieke fase verkeert bij mijn terugkomst van vakantie, maar ook een overvolle feedreader. En het zal de bibliothecaris in mij wel zijn waardoor ik het niet over m’n hart kan verkrijgen alle nieuwe feeds in één klap als ‘gelezen’ weg te klikken, maar toch de moeite wil nemen er in ieder geval een korte blik op te werpen. Want er gebeurt zoveel in ruim een week en je wilt toch graag op de hoogte blijven. Die feeds heb je tenslotte niet voor niets geselecteerd. Ik ben er nu echter bijna doorheen, ben in de tussentijd zo een tiental onderwerpen tegengekomen waar ik graag nu iets over zou willen schrijven, maar ja, vindt ook daar dan maar weer eens de tijd voor. ;-)

Nou goed, eentje dan. Over een van m’n favoriete onderwerpen, Google Book Search en de GBS settlement. Geen eenvoudige zaak overigens om bij te houden, want de ontwikkelingen gaan snel, worden veelvuldig becommentarieerd, kortom vragen bijna permanente aandacht.

Drie grote Amerikaanse bibliotheekorganisaties (de ALA, de ARL en de ACRL) hebben begin deze week gezamenlijk hun bedenkingen tegen de overeenkomst bij de New Yorkse rechter neergelegd. Ze zijn zeker niet de eerste die dat doen, en ze zullen ook niet de laatste zijn. De termijn waarbinnen dergelijke bedenkingen kunnen worden ingebracht is namelijk verlengd met vier maanden waardoor de verdere behandeling van de zaak, voorzien voor deze maand, al weer verschoven is naar het najaar. Veel van de tot nu toe ingediende bedenkingen richten zich op het de facto-monopolie dat Google verkrijgt over de zogenaamde verweesde werken (’orphan works’), boeken waarvan niet onomstotelijk vast staat wie de (auteurs-)rechthebbende is. En op de prijs die Amerikaanse bibliotheken aan Google zullen moeten gaan betalen voor licenties op het gebruik van al die gedigitaliseerde werken in GBS. Vergelijkingen met de door de grote uitgevers veroorzaakte serials crisis worden constant getrokken.

Ik denk dan steeds meteen: maar hoe zit het dan met ons, met die niet-Amerikaanse bibliotheken? Die vallen buiten de overeenkomst en hoe moeten die nu straks bij al die digitale schatten komen? Dat dat een belangrijke vraag is mag uit het volgende voorbeeld blijken: ook deze week maar dan op Inside Google Book Search, de officiële blog over GBS. Een bijdrage van Ryan Sands over de visual gems die via GBS toegankelijk zijn of worden gemaakt. Maar: Please note: some content may not be available in full view to users outside of the United States. En inderdaad: niks mooie plaatjes, alleen maar lege kaders.

Dan maar uitwijken naar de HathiTrust, dat samenwerkingsverband van Amerikaanse GBS-bibliotheken dat een eigen archief van gedigitaliseerde werken heeft opgezet. Inmiddels al ruim 100 Terabyte groot en sinds kort ook voorzien van een eigen zoekinterface die heel gerichte zoekacties mogelijk maakt. Maar ook hier: slechts 16% van de beschikbare werken valt in het publieke domein en is voor iedereen, zelfs in Europa, zichtbaar en raadpleegbaar. Die andere 84%…

Overigens doet die Hathitrust wel leuke dingen voor de mens: zie bijvoorbeeld de visualisatie van de bijna 450.000 publieke domein-werken onderverdeeld naar Library of Congress Classification en naar taal. Vandaag met 1% Nederlandstalige werken!

Tijdelijk gesloten

tijdelijk-gesloten

Zoals bekend kan de boog niet altijd gespannen zijn. Dus is het nu tijd voor even een korte vakantie zonder computer en laptop, en dus ook zonder blog. Na 6 mei weer terug. Tot dan!

King & Tenopir

Donald King en Carol Tenopir hebben individueel, als duo en in veelvuldige samenwerking met anderen hun sporen meer dan verdiend in de wereld van Library and Information Science. Hun laatste bijdrage aan het vakgebied, in het april-nummer van Learned Publishing, levert zoals gebruikelijk weer de nodige highlights op.

Uit een survey onder wetenschappers van vijf Amerikaanse universiteiten blijkt dat zij gemiddeld 240 artikelen per jaar (her)lezen en daar ruim 130 uur aan besteden (gemiddeld nog geen drie uur per week). Persoonlijke abonnementen op tijdschriften vormen bij het browsen in 50% van de gevallen de bron die ze gebruiken, op de voet gevolgd door het (digitale) aanbod van bibliotheken. Dat hoge percentage persoonlijke abonnementen is ook de verklaring voor het nog hoge percentage ‘lezen van papier’. Digitale beschikbaarheid staat zeker niet gelijk aan ‘lezen van het scherm’, hetgeen ook mag blijken uit het feit dat van de digitale artikelen liefst 70% wordt uitgeprint voor verdere raadpleging.

King en Tenopir baseren zich voor hun artikel op een survey uit 2005. Inmiddels is het 2009 en de tijd heeft niet stilgestaan. Zijn hun bevindingen van vier jaar geleden nog steeds even relevant voor nu? Dat van die persoonlijke abonnementen zou ik bijvoorbeeld nog wel eens nader onderzocht willen zien. Zijn wetenschappers inmiddels niet zo verslingerd aan het gemak van digitale beschikbaarheid dat ze die abonnementen eraan hebben gegeven of blijft het bladeren in een papieren tijdschrift voor wetenschappers toch een cruciale bezigheid? En als dat laatste zo is, wat voor consequenties trekken uitgeverijen daar dan uit? Individuele papieren abonnementen toch continueren als een soort printing-on-demand bijproduct van het digitale hoofdproduct? Of de drukpers toch echt definitief stilzetten en de wetenschapper veroordelen tot het maken van zijn eigen printjes? Daarover laten King en Tenopir zich helaas niet verder uit. Ze komen niet verder dan de wat obligate slotzin dat “Articles are an important part of faculty members’ research, teaching, and other work needs, and they must have access to them in a variety of ways.”

Om met Martin Bril te spreken: Tsja…

Bril is dood

Vanmiddag liep ik op het Koningsplein de Selexyz binnen. Komende week is het vakantie en ik kon nog wel wat leesvoer gebruiken. Ik had net Voskuils Binnen de huid in één ruk uitgelezen en dat had me opnieuw nieuwsgierig gemaakt naar Bij nader inzien. Lang geleden gelezen, maar nu dus gekocht om te herlezen. En ik wilde graag ook Martin Brils De kleine keizer kopen.

Maar dat ging dus niet. Weliswaar was er meteen na de ingang, midden in de winkel, als een eerbetoon aan Bril een tafel ingericht met een keuze uit zijn publicaties, maar De Kleine keizer lag er niet tussen. ‘Uitverkocht, mijnheer. Maandag hopen we weer nieuwe exemplaren binnen te krijgen.’ Verrassend was dat natuurlijk niet, na de bekroning begin van deze week met de Bob den Uyl-prijs, bijna onmiddellijk gevolgd door het bericht van zijn overlijden.

Ook ik was door dat overlijden geraakt. Als fervente Volkskrant-lezer was de afgelopen jaren, na het scannen van de voorpagina, Brils column op de eerste pagina van De Voorkant het eerst dat ik ’s ochtends in de krant las. Zoals het Evelien-feuilleton jarenlang een van de redenen was om mijn abonnement op Vrij Nederland toch nog maar een jaar aan te houden, totdat zelfs dat niet meer voldoende reden was. Met Brils overgang naar de voorpagina, hoe eervol ook, wist ik het nog niet zo goed. Ik sprak er na zijn tweede of derde bijdrage met een collega over, en onze gezamenlijke conclusie was dat Bril in ieder geval z’n draai nog niet gevonden had, dat de lengte wellicht toch voor hem net iets aan de korte kant was, of dat het misschien gewoon echt niet meer zo goed met hem ging.

En nu is hij er dus niet meer. De kleine keizer ga ik zeker nog een keer lezen. En dat abonnement op de Volkskrant? Ik weet niet of die het overlijden van Bril zal weten te overleven.

Volgende Pagina »